Plafondrestauraties in Delft – Van veel voorkomend tot absoluut uniek

De historische binnenstad van Delft trekt niet alleen veel toeristen, ook restauratiestukadoors zijn er regelmatig te vinden. Vorige eeuw verdwenen nog veel van de ornamenten- en lijstenplafonds in de oude panden achter verlaagde plafonds, of werden zelfs gesloopt. Tegenwoordig waarderen steeds meer mensen het decoratieve stucwerk en kiezen voor herstel en behoud. Schuller Restauratie Stukadoors nam er al een aantal onder handen.

Niet alle grachtenpanden zijn groot en statig. Het huis dat Nienke en Kris een paar jaren geleden kochten, is niet de opvallendste verschijning in het straatbeeld. Maar ook dit relatief smalle pand bevat meerdere plafonds met lijsten en ornamenten. Ze waren wel in zeer slechte staat toen het stel het huis kocht, maar dat gold voor meer onderdelen van de woning. Het pand is flink onder handen genomen, onder meer de complete vloer van de benedenverdieping is vervangen en die woonlaag is opnieuw ingedeeld. Met veel zorg is ook het plafond onder handen genomen.”Er zat een ornament dat zwart was geverfd, daar was nog maar een deel van over. En van het lijstwerk was ook behoorlijk veel verdwenen”, zegt Nienke. De restanten verwijderen was geen optie, het pand is een gemeentelijk monument. De nieuwe bewoners konden kiezen tussen herstellen of laten zitten en verbergen achter een verlaagd plafond. “Als je bij andere panden naar binnen kijkt, dan zie je dat veel mensen voor dat verlaagde plafond hebben gekozen, maar dat wilden wij niet. Zo’n plafond máákt het pand”, verklaart ze de keuze voor restauratie.

Van Alkmaar tot Delft

Restauratiestukadoor Hans Schuller kijkt ook regelmatig naar binnen bij woningen in de Delftse binnenstad. “Dit plafond zie je regelmatig terugkomen in andere panden, zelfs bij de buren zag ik het.” En Delft is niet de enige stad waar hij dit specifieke ornament uit de collectie van Silberling & Zn. is tegengekomen. Schuller restaureerde hetzelfde stuk in een pand in Alkmaar. Zo vonden Nienke en Kris de restauratiestukadoor ook. “We hadden een foto gemaakt van ons plafond en op internet via image search geprobeerd iets vergelijkbaars te vinden. Uiteindelijk kwamen we het tegen op de Facebook-pagina van Schuller, in een post over die restauratie in Alkmaar.”
Dat er een Silberling-ornament in het Delftse pand is gebruikt, geeft aan dat het plafond niet origineel is. Volgens de database van de gemeente Delft is de woning namelijk in de 17e eeuw gebouwd, terwijl de firma Silberling & Zn rond 1860 begon met de collectie geprefabriceerde ornamenten, hoekstukken en lijsten. “In 1890 is de voorgevel van dit huis veranderd; er is toen een winkeltje van gemaakt. De plafonds zijn ook van die tijd”, weet Nienke. “We zijn elders in het huis ook nog resten van beschilderde houten plafonds tegenkomen, dat is van een vroegere periode”, vult Kris aan.

Voor een volgende fase

Hans Schuller en zijn zoon Michael hebben in de loop der jaren een uitgebreide Silberling-collectie opgebouwd. Die kwam goed van pas bij dit project, toen naast de restauratie van het plafond in de voorkamer, ook het plafond van de achterkamer ter sprake kwam. Daar hadden de nieuwe bewoners geen restanten van lijsten of een ornament aangetroffen, maar nu er geen muur meer staat tussen het voor- en het achterhuis, leek het ze passend om ook daar een fraai plafond te hebben. “Die catalogus is erg groot maar voor de periode waar de plafonds in ons huis uit komen, viel de keuze wel mee”, aldus de bewoonster. “En hoewel we het verder behoorlijk modern hebben ingericht, wilden we met dat plafond wel iets uit de juiste tijd en geen Art Deco of Jugendstil.” Ook dit plafond bestaat uit een middenornament, vier hoekstukken en perklijsten. Volgens Schuller is de stijl eclectisch, een mix van verschillende historische stijlen. Ornament en hoekstukken, voorzien van onder meer loof en fruit, zijn niet hetzelfde als in het voorhuis; de lijsten wel. De restauratiestukadoors hadden van de restanten van het lijstwerk in het voorhuis mallen gemaakt die ze gebruikten om nieuwe lijsten te trekken. Dezelfde profilering komt ook terug in het lijstwerk van twee plafonds op de verdieping, net als de afstand van de lijsten tot de wanden. “Dat maakt het rustiger dan wanneer je álles anders maakt”, zijn Nienke en Schuller het eens. De ornamenten op de verdieping zijn wel allebei verschillend van elkaar én anders dan de plafonds van de begane grond. Grootste verschil is echter dat de plafonds op de verdieping nog niet onderhanden zijn genomen. De ornamenten zijn in de afgelopen eeuw behoorlijk dicht gesausd. “Dat willen we nog aanpakken maar dat komt nog wel; we zijn toch nog lang niet klaar met de verbouwing”, aldus de bewoners.

Gevaarlijk verzakt

Net even buiten de historische binnenstad zijn de woningen iets minder oud dan in het schilderachtige centrum. Wanneer hun woning precies is gebouwd weten Chris en Sigrid niet, maar ze schatten in dat het rond 1880 moet zijn geweest, zo’n twintig jaar nadat de eerste woning in de straat werd gebouwd. “We kochten het huis in 2005”, zegt Chris. “Er zaten toen diverse stucplafonds in maar de ornamenten waren helemaal dicht geverfd. Dat was niet mooi maar je sloopt zoiets natuurlijk niet, dus gingen we op zoek naar iemand die het voor ons kon herstellen.” Na een tip werd Schuller Restauratie Stukadoors benaderd. Het stukadoorsbedrijf uit Wateringen pakte in eerste instantie alleen het plafond van de voorkamer op de begane grond aan. Niet alleen waren daar de details van verdwenen achter vele lagen verf, het was ook nog eens gevaarlijk verzakt. “We hebben de ornamenten, de hoekstukken en de lijsten verwijderd en alles schoongemaakt in de werkplaats”, vertelt Hans Schuller over de aanpak. “Daar hebben we er vervolgens mallen van gemaakt om nieuwe stukken te kunnen gieten. De lijsten hebben we nieuw getrokken.” Het riet van het verzakte plafonds is volledig verwijderd en vervangen door gipsplaten waar alle onderdelen op zijn aangebracht.

Gigantisch middenornament

Ruim tien jaar na de eerste ingreep keerden de Schullers terug voor het plafond op de eerste verdieping. Een veilig moment, de werkzaamheden aan de spoortunnel waren klaar dus gevaar van schades aan het stucwerk door trillingen was er niet meer. Hoogtepunt van deze restauratie was het middenornament in de woonkamer. Door verzakkingen in het plafond was het pronkstuk gaan golven. Daarnaast was er door een heleboel lagen verf en nicotine weinig meer te zien van de verbijsterende rijkdom aan details van het ornament. De restauratiestukadoors zaagden het volledige ornament uit het plafond. “Van punt tot punt is het ruim 2,5 meter lang en zo’n 1,5 meter breed en het bleek uit twaalf verschillende onderdelen te bestaan”, zegt Schuller. Door het gigantische ornament voorzichtig te bewegen, konden de stukadoors aan het craquelé zien waar de naden zaten en onderdeel voor onderdeel voorzicht losmaken. Ook deze werden weer in de werkplaats schoongemaakt en afgemald voor nieuwe gietstukken. En net als op de begane grond werd het slechte rieten plafond vervangen door gipsplaten.

Kleine extra’s

De hoekornamenten en de lijsten zijn eveneens hersteld, en ook dat leverde verrassingen op. De perklijsten hebben een bijzonder profiel, sommige onderdelen krullen om. Het geeft een bijzonder schaduweffect maar het maakte het wel ingewikkeld om de lijsten in het werk te trekken. Doordat de details van de hoekornamenten weer duidelijk zichtbaar zijn, is te zien dat deze ornamenten niet volledig symmetrisch zijn. “Deze hoekstukken bestaan uit drie delen, een middengedeelte en twee vleugels”, zegt Schuller. “Dat was heel slim bedacht. Bij dit soort huizen staan de wanden vaak niet haaks. Nu konden ze zo’n ornament zo plaatsen dat de afstand tot de wand toch overal gelijk was en ze ook goed uitkwamen met de lijsten.” Zouden die niet mooi parallel aan de wand lopen, dan zou dat zeker opvallen. Dat de vleugels niet exact in dezelfde hoek tot het middengedeelte staan, zie je echter pas als je goed kijkt. En ook eigenlijk alleen maar doordat heel fijne details nu pas weer zichtbaar zijn.
Of het om plafonddecoraties uit de Silberling-collectie gaat, durft Schuller niet met zekerheid te zeggen. “We hebben ze niet kunnen terugvinden in de catalogussen die wij bezitten, maar we hebben wel een aantal van de stukken gevonden in een Silberling-catalogus van de firma Vissers die gevestigd was op de Prinsengracht in Den Haag.” Dat maakt het volgens hem zeer waarschijnlijk dat de andere stukken óók uit de collectie van Silberling & Zn komen. De bewoners zijn in ieder geval heel blij met de gerevitaliseerde plafonds. “Er zitten details in die we nooit eerder hebben gezien!” Dat kan kloppen; de Schullers hebben ook een paar dingetjes aan het reusachtige middenornament toegevoegd, symbooltjes die betrekking hebben op de hobby’s van de bewoners. Het maakt de toch al niet bepaald doorsnee stucdecoratie absoluut uniek.

=====

Tekst en fotografie: Klokhuys tekst en foto

Regelmatig krijgt Technisch Bureau Afbouw (TBA) als onpartijdige partij het verzoek om de oorzaak van een schade te achterhalen. Zo werd technisch adviseur Ed van der Plas door een rechtsbijstandsbedrijf gevraagd of hij in verband met een geschil tussen bewoner en aannemer kon achterhalen waar de pittige schades in het gevelstucwerk door zijn ontstaan.

De woning in kwestie is een vrijstaand pand. De gevels bestaan uit een geïsoleerde spouwmuurconstructie met een buitenblad van rood baksteenmetselwerk. Ook zijn er geveldelen
gemaakt met beplatingsmateriaal op een houtskeletbouw constructie. De gevels zijn gestukadoord. Dat werk hebben de bewoners niet door de aannemer laten uitvoeren die de woning bouwde, maar door een stukadoor die ze zelf hebben uitgezocht. Aan het gevelpleisterwerk is veel schade ontstaan. De bewoners wijten dat vooral aan een lekkage vanaf het dak. Ook komt het volgens hen doordat de beplating die als ondergrond voor het stucsysteem dient, niet goed is aangebracht. Volgens de bewoners ligt de schuld bij de aannemer en omdat die dat anders ziet, hebben ze hun rechtsbijstandsverzekeraar ingeschakeld. Dat bedrijf heeft TBA om een schadeonderzoek gevraagd. Technisch adviseur Ed van der Plas, gespecialiseerd in stucwerk, nam de woning onder de loep.

Foutenfestival

Bij zijn bezoek aan de woning trof Van der Plas flink beschadigd gevelstucwerk aan. “Er zaten onder meer scheuren in de afwerking, er waren hoekbeschermingsprofielen losgekomen en op sommige plekken was het stucwerk onthecht van de beplating en zelfs helemaal naar beneden gekomen.” De technisch adviseur zag dat de onthechting soms inwendig in de 1 tot 5 mm dikke stuclagen had plaatsgevonden en dat soms het stucwerk ‘schoon’ was losgekomen van het plaatoppervlak.
De meeste scheuren zaten op de plek van de naden tussen de pleisterdragerplaten. “Ik kon de plaatnaden zien, ze waren 1 mm en groter. Op lang niet alle naden zat een strookje fijnmazig wapeningsweefsel in het stucwerk.” Er waren ook scheuren op andere plekken. Ze varieerden in wijdte van 0,1 tot 0,5 mm. Door een aantal van die scheuren heeft regenwater in de achterliggende stuc- en pleisterdraagconstructie kunnen binnendringen, constateerde de technisch adviseur. “Ook door lekkage vanaf de goot is er vocht in de pleisterdraagconstructie gekomen, onder meer via naden tussen de zinken daktrimmen. De daktrimmen hadden overigens een minimaal overstek van 5 tot 15 mm t.o.v. het stucoppervlak.”
Een vochtmeting leverde op dat op de plekken van die lekkages de gevelafwerking een verhoogd tot sterk verhoogd vochtgehalte had; 80 tot meer dan 100 digits, wat gelijkstaat aan + 5,5 tot meer dan 6,5 gewichtsprocent vocht.
Fouten in het stucwerk zelf waren, naast het ontbreken van (voldoende) wapening op de plaatnaden en aan het geveloppervlak, niet goed verlijmde hoekbeschermingsprofielen en de toepassing van dunpleisterprofielen waardoor het stucsysteem onvoldoende dikte en dekking heeft.

Schuldvraag

De vraag van de rechtsbijstandsverzekeraar was uiteraard ook aan wie de geconstateerde schades en gebreken zijn toe te rekenen. De conclusie van Van der Plas was dat de lekkages die voor de vochtproblemen en de schade hebben gezorgd, zijn toe te rekenen aan de aannemer. De problemen zijn immers veroorzaakt doordat de daktrimmen onvoldoende overstek hebben en doordat er aan de onderzijde van die daktrimmen naden zitten tussen het gevelstucwerk en de daktrimmen zelf. Ook is er een openstaande naad in een van de dakgoten.
Bij het aanbrengen van de beplating had de aannemer niet overal op de juiste hart op hartafstanden (25 tot 30 cm) geschroefd, soms zijn de afstanden groter dan 30 cm. Daarnaast is een deel van de schroeven vrij diep in het plaatoppervlak gedreven. “Gevolg hiervan is dat er deformatie van de beplating kan plaatsvinden en dat de schroeven voor onvoldoende verankering en stabiliteit in het plaatoppervlak zorgen”, aldus Van der Plas. De technisch adviseur van TBA had ook gezien dat bij uitwendige gevelhoeken de platen niet uit één stuk bestaan of niet strak op elkaar aansluiten en in verticale richting aansluitnaden bevatten. “Dit soort aansluitnaden zijn verzwakkingen in de totale stabiliteit van de pleisterdrager. Dat kan voor versterkte scheurvorming in het stucwerk zorgen. Dit zijn ook gebreken die aan de aannemer zijn toe te rekenen.”

Verwerkingsadviezen genegeerd

Dan waren er nog de gebreken aan het stukadoorswerk op de gevels. Van der Plas somt op: “Onvoldoende aanhechting ter plaatse van de hoekbeschermingsprofielen. Onvoldoende laagdikte en gebrekkige opbouw van het pleistersysteem. Niet of onvoldoende toepassen van wapeningslagen op de plaatnaden en over het geveloppervlak. Geen stucstopprofielen toepassen en dunpleisterprofielen in plaats van hoekbeschermingsprofielen toepassen. Dat zijn allemaal zaken die volledig voor verantwoording komen van het betrokken stukadoorsbedrijf.”
Volgens de technisch adviseur van TBA hadden deze fouten gemakkelijk voorkomen kunnen worden. “Dit type gevelafwerkingen moet altijd volledig volgens de technische verwerkingsadviezen van de desbetreffende leverancier worden uitgevoerd. Dat is hier duidelijk niet gedaan.”

Dure grap

Van der Plas gaf ook nog uitgebreid advies voor het herstel van de schade, en een kostenraming. Herstel van het stukadoorswerk, inclusief onder meer het plaatsen van een steiger, het verwijderen van de bestaande stucafwerking en he t aanbrengen van een nieuw gevelstucsysteem inclusief afwerking gaat volgens hem ruim € 50.000,00 inclusief btw kosten.
De kosten van het herstel van het zinkwerk en de ondergrondconstructie kon hij niet inschatten. “Dat moet door een ander partij worden bepaald.”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto
Fotografie: Ed van der Plas

Hier zit je goed voor heel veel wooninspiratie

Het hele jaar brengen we het laatste woonnieuws bij jou thuis. En van 4 t/m 9 oktober 2022 gaan we back to live tijdens de vt wonen&design beurs in de RAI Amsterdam! Ben je op zoek naar héél veel wooninspiratie, noviteiten en handige tips? Dan ben je hier aan het juiste adres! Klik hier voor meer informatie.

Batibouw, de grootste en belangrijkste beurs van België in de bouw-, renovatie- en woonsector, vindt in 2022 weer plaats in Brussels Expo. Vanwege de corona crisis is beslist om het evenement van eind februari te verplaatsen naar mei 2022. De nieuwe data: van zaterdag 21 tot en met zondag 29 mei.

Realiseer je droomhuis met Beurs Eigen Huis

Ga je een huis bouwen of verbouwen, ga je verhuizen of verduurzamen? Kom naar de beurs of doe online inspiratie op!

Bekijk de gratis webinars, vind de expert die bij je past, lees de blogs, shop diverse handige boeken en op 25, 26 en 27 maart 2022 staan er weer heel veel exposanten voor je klaar in Jaarbeurs Utrecht. Voor al je woonplannen ben je bij Beurs Eigen Huis dus op het juiste adres! Klik hier voor meer informatie.

Elkaar de tent uit pesten is waar het om draaide in de jaren tachtig film Schatjes! Toen dit jaar aan de gevel van de villa waar de film is opgenomen het stucwerk moest worden opgeknapt, bleek ook het pand zelf nog wat streken in huis te hebben. Gedegen onderzoek, materiaalkennis en vakmanschap zorgden voor een ‘happy end’.

Meer dan een miljoen bezoekers trok de film Schatjes! Dat maakt de film van regisseur Ruud van Hemert een van de succesvolste Nederlandse speelfilms uit de jaren tachtig; alleen Flodder, Ciske de Rat en Spetters trokken in dat decennium meer mensen naar de bioscoop. Schatjes gaat over een disfunctioneel gezin van vier kinderen en hun vader en moeder die elkaar het leven zuur maken met steeds heftiger pesterijen. De zaak loopt behoorlijk uit de hand en aan het eind van de film ligt de woning van het gezin, een fraaie witte villa, grotendeels in puin. Zo leek dat tenminste op het witte doek; anno nu staat de in 1921 gebouwde villa nog steeds op zijn plek in Breda en ziet hij er zelfs beter uit dan ooit. Het ingrijpende gevelherstel heeft bijgedragen aan het terugbrengen van het huis in de oude glorie.

Overzichtelijke herstelklus

Toen de huidige bewoners in 2015 de beroemde villa kochten, zaten er wel wat scheuren in het pleisterwerk maar was er nog geen reden om dat aan te pakken. Na een paar jaar was de tijd daar wel rijp voor. Stukadoorsbedrijf Van Baal uit Rijsbergen en schildersbedrijf Van Boxtel uit Bavel werden ingeschakeld om de gevel weer netjes te maken.
“Als ik een buitengevel moet doen dan haal ik altijd Benno Sanderink van leverancier SLP erbij voor een advies”, zegt Hans van Baal, directeur/eigenaar van stukadoorsbedrijf Van Baal. Dat was in december 2019, herinnert Sanderink zich. “De hechting van stucwerk controleer je door er op te kloppen”, zegt hij over zijn aanpak. “Als het hol klinkt dan zit het los en moet het verwijderd worden. Mijn inschatting was dat het om zo’n 15 tot 20 % van het stucwerk ging.” Zijn advies was om dat weg te halen en van het overblijvende deel alle verf te verwijderen. Daarna zou dan, na het aanhelen van de kale plekken, over de gehele gevel een dun stuclaagje compleet met wapeningsgaas moeten worden aangebracht waarna het geheel kon worden afgeschuurd. Omdat het bestaande stucwerk met een keiharde cementmortel was gedaan, adviseerde SLP voor de herstelwerkzaamheden eveneens cementgebonden materialen te gebruiken.

Vervelende ontdekkingen

Tijdens het verwijderen van het loszittende stucwerk en de verflagen kwam Van Baal er achter dat 15 tot 20% een erg optimistische inschatting was geweest; het ging eerder om bijna de helft van het stucwerk dat los zat. Of los leek te zitten. “Het zat zelfs los op de plekken waar het vast zat”, zegt Van Baal cryptisch. “Dat klinkt gek maar er waren plekken die hol klonken als we er op klopten, maar waar we de stuclaag met geen mogelijkheid van de ondergrond afkregen!”
De gevel had nog een verrassing in petto. Bij het verwijderen van verf en loszittend stucwerk in twee van de gevelpunten, stuitten de stukadoors op hout. Het bleken de balken te zijn van vakwerk met metselstenen als vulling. Die gevelvakken zijn op enig moment in het honderdjarig bestaan van de villa ook gepleisterd, over steen en hout heen. “Er is destijds een soort gaas op het hout gespijkerd waar overheen is gestukadoord”, zegt Van Baal. “Bij de balken hing de mortel dus aan het gaas terwijl het tussen de balken vastzat aan de stenen.”
Omdat de situatie behoorlijk anders was dan aanvankelijk werd gedacht, was nieuw onderzoek door de leverancier nodig. Technisch Bureau Afbouw werd gevraagd om mee te kijken en te denken én om tussentijdse kwaliteitscontroles uit te voeren. “Ik heb geen enkele ervaring met stucwerk; daarom vond ik het belangrijk om ook een onafhankelijke partij te laten meekijken”, geeft de bewoner aan. En terecht, de hele operatie bleek niet alleen een stuk omvangrijker maar ook kostbaarder te worden dan vooraf gedacht.

Van cement naar traskalk

Nu delen van het stucwerk waren verwijderd, en door destructief onderzoek, werd duidelijk dat de gevel verschillende soorten metselwerk bevat. De hoofdmoot is echter een tamelijk zachte baksteen die met een kalkmortel is gemetseld en gevoegd. “Dat verklaart het holle geluid bij stucwerk dat toch muurvast zit”, zegt Sanderink. “Kalk vreet zich niet vast in de metselsteen zoals cement doet. Op sommige plekken zaten de stenen dus niet meer stevig aan elkaar vast, terwijl het stucwerk nog wel aan de stenen hechtte. Als je daar op tikte, dan klonk het hol maar het was dus het metselwerk dat los zat, en niet het stucwerk.” Volgens de leverancier en TBA zou het het beste zijn om ál het oude stucwerk te vervangen, maar doordat dat op sommige plekken zó goed vastzit aan de ondergrond, zou dat teveel schade aan de metselstenen opleveren. Op grote schaal repareren was dus het devies. Vanwege de zachte metselsteen en het kalkvoegwerk was het geen goed idee om dat met de eerder geadviseerde cementmortel te doen. Hard stucwerk op een zachte ondergrond is immers vragen om problemen. In het nieuwe advies zijn daarom een traskalkmortel en een trasschuurmortel opgenomen.
Voor er echter überhaupt aan stukadoren gedacht kon worden, moest er nog wel wat aan de constructieve scheuren in de gevel worden gedaan. Ed van der Plas, technisch adviseur bij TBA, gaf aan waar metselwerk verwijderd en opnieuw ingeboet moest worden en waar epoxymortel en spiraalankers ervoor moeten zorgen dat de boel niet opnieuw gaat scheuren.

Schatjes!-beeld intact houden

De vakwerk gevelvlakken vormden een uitdaging op zich. Door de scheuren in het stucwerk was er water in de ondergrond gekomen waardoor op sommige plaatsen het hout was aangetast. Dat moest hoe dan ook worden vervangen. De vraag was vervolgens hoe die geveldelen verder aan te pakken, stukadoren op hout is immers ‘tricky’. Een mogelijkheid was om het vakwerk in het zicht te laten. Voor de bewoners was dat echter geen optie. “In Zuid-Limburg, met soortgelijke huizen eromheen, past zo’n vakwerkhuis prima, maar in Breda is het toch een beetje gek. En ook al is het vroeger misschien wel zo geweest, het zou dan niet meer de villa zijn die wij gekocht hebben en ook niet de villa die de mensen kennen van de film. Het is toch een landmark in de omgeving en dan moet je naar mijn mening de uitstraling niet veranderen.” Toch maar weer stukadoren dus, alleen dan wel zo dat er niet weer schade zou ontstaan. Op advies van SLP werden er eerst brede stroken gepuntlast rvs Casanet gespannen over de houten balken. Anders dan destijds was gedaan, gebruikte de stukadoor afstandhouders en ruim voldoende overlap over de stenen en de bestaande raaplaag. Het Casanet werd met schroeven en pluggen goed vastgezet aan de verschillende ondergronden. Vervolgens is het aansluitend op het bestaande stucwerk volgesmeerd met een lichtgewicht kalktrasmortel, de SLP LPM 10 light.

Ouderwets goed

Sanderink legt zijn advies uit: “Wanneer mortel door de zon warm wordt, dan kan het die warmte beter afgeven aan een stenen ondergrond dan aan hout. Mortel op hout wordt dus warmer en zet dus sneller uit dan mortel op steen. Heb je die ondergronden naast elkaar, zoals hier, dan krijg je spanningsverschiillen en scheuren in het stucwerk bij de aansluiting van hout en steen. Doordat het gaas nu niet alleen over het hout maar ook over de steen en zelfs de oude raaplaag is aangebracht, verdeel je er veel beter de spanning mee en wordt de kans op scheuren aanzienlijk kleiner.” De keuze voor het stalen Casanet in plaats van een hedendaagse glasvezelwapening maakte Sanderink op aangeven van zijn oude stucleermeester Hans Geerken. “Van hem heb ik geleerd dat een kunststof wapeningsweefsel vrijwel geen warmte opneemt. Staal doet dat wel en kan daardoor een beetje mee uitzetten met de mortel wanneer daar de zon opstaat.” Evengoed is er wel hedendaags wapeningsweefsel toegepast. Over de hele gevel is namelijk een mortelweefsellaag aangebracht; een kalktrasmortel met de grofmazige wapening ingebed. Als laatste brachten de stukadoors met kalktrasschuurmortel SLP KCD-05 over de gehele gevel nog een dun schuurlaagje aan als afwerking.

Een tikje dikker

“Meer dan dit kun je niet doen”, zegt technisch adviseur Van der Plas over het gevelherstel. “Ja, je zou er een buitengevelisolatiesysteem op kunnen aanbrengen maar dan haal je het karakter van het pand weg.” De oplossing die nu is gekozen heeft ook wel iets met het uiterlijk gedaan. Met de oorspronkelijke aanpak zou erin totaal 3 tot 4 mm op de oude stuclaag zijn gekomen, nu is dat wel 1,5 cm geworden. Hier en daar is dat te zien aan wat details. De muurankers die voorheen op de witte gevel lagen, zijn nu grotendeels verzonken in het dikkere pleisterwerk. Onvermijdelijk, ze konden immers niet even worden verwijderd en na het stukadoren weer worden teruggeplaatst zoals wel met de zwarte duimen van de luiken is gedaan. Hetzelfde probleem dreigde bij de natuurstenen raamdorpels die nauwelijks overstek hadden. Die zijn echter wel verwijderd en vervangen door diepere exemplaren die precies in de wat opgedikte gevel passen. Het zou een mooie gelegenheid geweest om ze nu wel voldoende overstek te geven maar omdat dat het beeld van de gevel te veel zou veranderen, heeft de opdrachtgever daar van afgezien. Hij is tevreden met het eindresultaat. “Het ziet er heel netjes uit”, vindt hij. Ook over de inzet van stukadoor, leverancier en TBA is hij tevreden. “Het was een grote renovatie en doordat er dingen naar voren kwamen die we niet wisten, kwam er nog meer bij. Het was voor ons geen vraag of we dat dan wel moesten doen, we wilden dit gewoon goed aanpakken. Alleen is dat wel een hele investering en dan wil je graag zekerheid en garanties. Daarom vond ik het belangrijk dat je niet alleen een stukadoor hebt die goed werkt en weet wat hij doet en een professionele leverancier die meedenkt over de juiste materialen, maar ook een onafhankelijke deskundige als TBA die meedenkt, mee-adviseert en tussentijds komt controleren of het werk inderdaad volgens het advies wordt uitgevoerd.”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto
Fotografie: Ed van der Plas, Klokhuys tekst en foto

Firma Silberling & Zn. maakte eind 19e eeuw ornamenteel stucwerk bereikbaar voor een groot publiek met een grote collectie prefab lijsten en ornamenten. Niet zelden zijn daardoor identieke stukken in verschillende panden door het land terug te vinden maar soms stuit een fortuinlijke stukadoor op een zeldzame Silberlingparel. Restauratiestukadoor René van Olphen had die mazzel, in een landhuis in Twente.

De woning waar de Meesterststukadoor uit Nijverdal tegen het unieke plafond aanliep is relatief jong. Rond 1900 was het nog het kantoorgedeelte van een textielfabriek, vervolgens was het een korte periode boerderij, tot het in 1925 verbouwd werd tot landhuis, compleet met een parkachtige tuin. In die vorm is het altijd gebruikt gebleven maar garantie voor deugdelijk onderhoud heeft dat niet gegeven. Toen de huidige eigenaar het landhuis in 2017 kocht, was het wel aan een grondige renovatie toe. Het pand was nauwelijks geïsoleerd en er waren op veel plaatsen lekkages. Om het bewoonbaar te maken moest het van A tot Z worden aangepakt, te beginnen met de vervanging van het dak. Maar er zaten ook interessante karakteristieke onderdelen in het huis; stucplafonds met lijsten en ornamenten, houten balken plafonds, houten lambrisering, een monumentale haard met natuursteen schouw bijvoorbeeld. Er moesten keuzes worden gemaakt; wat te doen met die monumentale elementen? “Je kunt het natuurlijk allemaal strak maken maar dan is deel van de charme weg en dat was nou juist waar ik op gevallen ben, waardoor we het hebben gekocht”, zegt de eigenaar. “Ik wilde dus het liefst zo dicht mogelijk tegen het oude aanblijven terwijl mijn vrouw meer van modern houdt”, zegt de eigenaar. “We hebben er voor gekozen om de basis klassiek te houden en modern te maken wat later weer ongedaan gemaakt kan worden. Zo hebben we de lambrisering in de leefruimtes verwijderd, die maakte het voor ons te zwaar en te donker. Maar in één kamer hebben we hem laten zitten. Mocht een volgende bewoner de woning terug willen brengen naar de oorspronkelijke staat, dan is er in ieder geval nog een voorbeeld van de lambrisering”, geeft hij een voorbeeld van de aanpak.

DHZ onder begeleiding

Kiezen om bepaalde originele onderdelen te behouden is één ding, daarna komt de vraag hoe je dat dan doet, zeker als ze in niet al te beste staat meer zijn. De zandsteen schouw bijvoorbeeld was door een vorige bewoner geverfd. “Wil je al die dingen écht opknappen dan heb je vaklui nodig en dat is niet gemakkelijk, hebben we gemerkt. Als leek denk je bijvoorbeeld dat een stukadoor ook een plafond kan restaureren maar dat is niet zo, daar heb je een specialist voor nodig. En dat geldt ook voor zo’n houten balkenplafond. Daar komt bij dat niet elke vakman die je vindt staat te springen om ook het rotwerk te doen, zoals de kalkverf van de zandsteen schouw schuren. Veel van die dingen hebben we daarom zelf gedaan, nadat we ons goed hadden laten informeren hoe dat moest.” Zo is het ook gegaan met de geornamenteerde stucplafonds. Een ervan, in een gang, had erg veel te lijden gehad van lekkages vanuit de bovengelegen badkamers. De nieuwe eigenaren besloten te proberen iemand te vinden die het plafond kon redden. Ze kwamen bij restauratiestukadoor Van Olphen uit. Veel viel er niet meer te herstellen en omdat er toch ook nog het nodige aan de leidingen moest worden gedaan om nieuwe lekkages te voorkomen, werd besloten het plafond te verwijderen en later terug te plaatsen. Van een aantal elementen maakte Van Olphen afdrukken om er mallen van te kunnen maken en vervolgens hebben de bewoners het plafond gesloopt. De restauratiestukadoor is blij dat hij er bijtijds bij is gehaald. “Ik maak ook wel mee dat mensen alles er al uit hebben gemept wanneer ik kom. Een leek weet nu eenmaal niet wat je weg kunt halen en wat je moet behouden om het weer terug te kunnen brengen.”

Briefje uit het verleden

Het zou echt zonde zijn geweest als de stucplafonds waren verdwenen want ze zijn zonder meer bijzonder. Volgens Van Olphen is het Louis XVI, een stijl die voornamelijk werd toegepast in het vierde kwart van de 18e eeuw. “In een huis van 1925 is dat niet gebruikelijk. Dan verwacht je meer iets van Art Deco of Jugendstil.” Hoewel het bedrijf rond die tijd ophield te bestaan, vermoedde de restauratiestukadoor dat het prefabstukken van Silberling & Zn zijn geweest. “Ik was ze alleen nog niet eerder tegengekomen en de collega’s waar ik veel mee samenwerk ook niet.” Het bleek wel degelijk uit de collectie van het vermaarde bedrijf uit Amsterdam te komen. De nieuwe bewoner had een hoop bouwdocumentatie uit de afgelopen eeuw, waaronder een briefje uit 1925 van Silberling & Zn. met tekeningen van het profiel van de lijsten en uitleg voor de stukadoor hoe een en ander op het plafond aan te brengen. Ook vond Van Olphen de stukken terug in de catalogus. Die aanwijzingen uit 1925 had de Meesterstukadoor niet nodig. Het nieuwe plafond in de gang is gemaakt op een Stucanet pleisterdrager. De decoraties bestaan uit diverse geprofileerde perklijsten, inlegwerk, florale hoekstukken en bloemenguirlandes. Alle onderdelen zijn nieuw gemaakt aan de hand van het originele plafond. Van Olphen waakte er wel voor om die originele stukken niet eerst helemaal te reinigen. “Als je alle verflagen eraf haalt dan krijg je heel scherpe stukken. Je kunt dan heel goed zien dat het nieuw is. Nu lijkt het alsof dit nog het oude plafond is.”

Nieuw klassiek

In de woonkamer waren twee vergelijkbare Silberlingplafonds gemaakt. Verschil met de gang is hier vooral de vorm, en in de woonkamer zijn twee grote centrale ornamenten aangebracht en tussen de perklijsten hier en daar nog wat bescheiden decoraties. Deze plafonds waren in veel betere staat dan dat in de gang; Van Olphen heeft hier wat scheuren gerepareerd, op een paar plekken het plafond gefixeerd en vooral de boel gereinigd. “Ook hier heb ik de verflagen laten zitten omdat het er anders te nieuw zou gaan uitzien. Er zat ook niet veel verf op, hooguit twee lagen dus alles zag er nog redelijk scherp uit.” Van een van de twee identieke middenornamenten in de woonkamer maakte hij een afdruk; voor de eigen collectie Silberingmallen én om te gebruiken voor een nieuw klassiek plafond in de eetkamer van de woning. “Hier zat origineel eenzelfde houten balkenplafond als we in een van de andere kamers hebben behouden”, zegt de bewoner. “Deze kamer was echter aan de donkere kant en om dan ook nog zo’n donker houten plafond te hebben leek ons niet zo’n goed idee.” Een stucplafond zou het veel lichter maken maar dan moest het natuurlijk wel een stijlplafond worden met lijsten en ornamenten. Het is vrijwel een kopie van de plafonds in de woonkamer geworden, al zijn ook hier de decoraties tussen de perklijsten achterwege gebleven.

Puzzel op het plafond

“Het was een enorme puzzel om dit te maken”, zegt Van Olphen. Hij doelt op de indeling van het plafond; symmetrie was namelijk heel belangrijk voor de bewoners. De lijsten waren niet zo ingewikkeld, die kon hij zo lang maken als nodig was. Ook de laurierblaadjes waarmee de buitenste perklijst is ingelegd, leverden niet zoveel hoofdbrekens op. “Die kun je doorzagen en wat langer of korter maken. Maar de guirlandes was een ander verhaal. Die zijn niet uit te rekken dus je moet werken met de vaste maat die ze hebben. Maar je moet wel zorgen dat je in de hoeken goed uitkomt, dat er niet net een stuk af moet of dat hij juist tekort is.” En dan was er ook nog het middenornament; dat moest precies midden in het veld komen maar ook middenin de ruimte. Extra complicerende factor was het wandmeubel dat nog in de ruimte moest komen, van vloer tot plafond. Daar moest hij wel rekening mee houden bij het bepalen op welke afstand van de wand de lijsten moesten komen. De restauratiestukadoor tekende alles op de grond uit op een stucloper. Toen het naar tevredenheid was en hij het op het plafond wilde overzetten bleek het ineens toch niet te passen. “De wanden stonden 3 cm uit het lood”, verzucht hij. Uiteindelijk is het goed gelukt en zijn zowel de bewoners als de restauratiestukadoor zelf tevreden met het eindresultaat. En dan niet alleen de indeling maar ook hoe het er verder uitziet. “Het middenornament is een kopie van het ornament van de woonkamer, compleet met deukjes en bobbeltjes” zegt Van Olphen. “En doordat ik de lijsten op het plafond heb getrokken, zijn ze niet zo strak als wanneer ik het op de werkbank had gedaan. Daardoor ziet het er allemaal uit alsof het er altijd heeft gezeten terwijl het een compleet nieuw plafond is.” De eigenaar van het landhuis beaamt dat. “Als mensen dit zien dan zeggen ze vaak wat goed dat je dit hebt weten te behouden! ”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto’s
Fotografie: fotografie: Klokhuys tekst en foto’s, Lambert de Jong


Regelmatig krijgt Technisch Bureau Afbouw (TBA) als onpartijdige partij het verzoek om de oorzaak van schades te achterhalen. Bij een onderzoek van technisch adviseur Ed van der Plas ging het nog een stapje verder, daar was de vraag of de schade zó ernstig was dat de veiligheid van de bewoners op het spel stond.

De woning waar de expertise van Van der Plas voor werd ingeroepen, is een stadspand dat rond 1900 is gebouwd. Er wonen drie verschillende huishoudens in het pand, elk op een van de drie woonetages. Op het platte dak, een constructie van houten planken op een houten balklaag, zijn op een gegeven moment zware pakketten met bouwmaterialen neergezet, bestemd voor de verbouwing van een naastgelegen pand. Het platte dak is doorgebogen en dat heeft in de voorkamer van de bovenste verdieping schade veroorzaakt aan het plafond. Een deel van de geornamenteerde gestukadoorde afwerking is, inclusief de rieten pleisterdrager, losgeraakt van het houten regelwerk. De bewoners van de 3e verdieping moesten het appartement verruilen voor tijdelijke woonruimte. De verhuurder heeft de rest van het plafond in de voorkamer helemaal laten verwijderen. Omdat hij ook in andere vertrekken door het hele pand schades aan de plafonds zag, liet hij aan alle huurders weten dat de situatie dermate gevaarlijk was dat op alle etages herstel nodig was en het pand volledig ontruimd moest worden. De huurders twijfelden of de technische staat van de plafonds inderdaad zó slecht was dat de drastische maatregel nodig was. Technisch adviseur Ed van der Plas van TBA werd gevraagd om de situatie te beoordelen.

Eerste verdieping

Op de eerste verdieping waren enkele verlaagde plafonds gemaakt, afgewerkt met geschilderde zachtboard panelen. Daar kon de technisch adviseur geen schade aan ontdekken. Ook waren er verschillende gestukadoorde plafonds; een aantal met verlaagde platte stucplinten, een aantal met perklijsten en een met een middenornament. In al deze plafonds zag Van der Plas scheuren in het geschilderde stucwerk en hier en daar wat afbladderende verf. “Het waren allemaal fijne scheuren, niet wijder dan 0,3 millimeter”, zegt hij. “Sommige waren al gerepareerd en bij de scheuren die nog open stonden, zag ik geen hoogteverschillen in de scheurranden.” Van verzakking was dus geen sprake bij deze plafonds.

Tweede verdieping

Op de tweede verdieping waren alle plafonds gestukadoord en geschilderd. In de voor- en de achterkamer waren ze versierd met middenornamenten, perklijsten en platte stucplinten. Ook bij deze plafonds zag Van der Plas fijne langgerekte gebogen scheuren, sommige liepen door de perklijsten heen. Gerepareerd was er niet; ze stonden allemaal open, maar niet meer dan 0,3 mm. Op een enkele scheur na, en daar ging het om slechts enkele millimeters, zag hij ook hier geen hoogteverschillen tussen de scheurranden. “In een van de kamers was op sommige plekken de geverfde pleisterlaag onthecht van de raaplaag. In die raaplaag zag ik wel wat scheurtjes maar ook die lieten geen verzakking zien.”

Derde verdieping

De plafonds op de derde verdieping, direct onder het zwaar belaste dak, bleken vergelijkbare schades te hebben als op de andere twee etages. Fijne scheuren dus en geen verzakkingen. In de voorkamer, waar het plafond (rieten drager, stucwerk en ornamenten) tot op het houten rachelwerk was verwijderd, kon de technisch adviseur van TBA de plafondconstructie goed bekijken. “Het waren houten balken van 27,5 cm hoog en 11 cm dik, over de breedte van het pand geplaatst, hart op hart 90 centimeter. De houten rachels waren allemaal goed en zaten overal stevig vast aan die constructie. De kopspijkers waarmee dat was gedaan waren in goede staat, ik kon geen roest ontdekken.” Hij trof ook nog wat fragmenten geel koperdraad aan op het rachelwerk. “Dat is samen met rietspijkers gebruikt om het gestoken riet aan het rachelwerk vast te zetten”, legt hij uit. “Ook dat koperdraad zag er nog goed uit; het was niet verkleurd of geoxideerd en het was nog goed buigzaam.”

Conclusie

Geen reden voor paniek dus? “Aan de hand van wat ik heb gezien is het niet realistisch te veronderstellen dat de plafondafwerkingen op de 2e en 1e verdieping hebben geleden onder de gewichtsbelasting op het dak van de 3e verdieping”, aldus Van der Plas. “De plafondconstructie op de derde verdieping ziet er stabiel en vormvast uit.”
En de scheuren dan die toch in veel van de plafonds te zien zijn? “Dat zijn krimpscheurtjes die ontstaan door ouderdom van de plafonds en door wisselingen in luchtvochtigheid en temperatuur door de jaren heen. Misschien dat beweging in het pand door de jaren heen ook heeft meegespeeld.” De scheurtjes zijn prima te herstellen volgens de technisch adviseur. “Smal en v-vormig diep uitkrabben, de scheurnaden behandelen met een primer/grondeermiddel en als dat droog is de scheuren repareren met een gips- of kalkgebonden voegenvuller”, luidt zijn hersteladvies. De plekjes waar de pleisterlaag is losgekomen van de raaplaag vragen iets meer werk, maar zijn eveneens goed te repareren. In de voorkamer op de 3e verdieping zou een nieuw geornamenteerd plafond moeten worden teruggebracht. “Het mooie van al deze herstelwerkzaamheden is dat het per vertrek kan worden gedaa’’, sluit Van der Plas af. “De overlast is dan beperkt en het is voor de huurders ook niet nodig om tijdelijk een ander onderkomen te zoeken.”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto

Fotografie: Ed van der Plas

Regelmatig krijgt Technisch Bureau Afbouw (TBA) als onpartijdige partij het verzoek om de oorzaak van schades te achterhalen. Zo werd technisch adviseur Hermen de Hek recent gevraagd een kijkje te komen nemen bij ronde beschadigingen in stucwerk op gipsplaten.

De woning waar technisch adviseur Hermen de Hek de schade moest bekijken, is nog nieuw, hij is in 2020 gebouwd. Om de onderzijde van de kap netjes af te werken, is het schuine dakbeschot bekleed met gipskartonplaten. Die zijn vervolgens gestukadoord. Een aantal maanden nadien constateerden de bewoners dat er stukjes van het pleisterwerk loskwamen. Ze wilden graag van de technisch adviseur van TBA weten wat de oorzaak was, en hoe het hersteld kon worden. Ook hadden ze klachten over de onregelmatigheden die in de gestukadoorde oppervlakken te zien waren. Ze wilden weten of dit wel voldeed aan de eisen die worden gesteld aan een schilderklaar oppervlak.

Precies bij de schroeven

Bij de controle in de woning kreeg De Hek nog wat nadere informatie over de afwerking. De omstandigheden tijdens de werkzaamheden waren in principe goed, de woning was wind- en waterdicht. Het dak, een prefab scharnierkap, is aan de binnenzijde voorzien van een groen-bruine spaanplaat, de V313 van Spano. Daar zijn gipskartonplaten op bevestigd; de standaard type A plaat met afgeschuinde kanten. De platen hebben een afmeting van 600 x 2400mm en zijn horizontaal aangebracht. Op verschillende plekken van de schuine kap zag de technisch adviseur cirkelvormige plekjes die uit de pleisterlaag komen. Toen hij op die beschadigde plekjes de loszittende pleister weghaalde, bleken daaronder steeds schroeven te zitten. Het waren de gebruikelijke zwart gefosfateerde schroeven die voor gipsplaten worden gebruikt en ze waren niet geroest.

Logische verklaring

De Hek was niet verrast door wat hij aantrof. “Het is een bekend probleem dat zulke cirkelvormige plekjes ontstaan. Je ziet het eigenlijk alleen bij gipsplaten die op houten panelen en/of houten profielen zijn geschroefd.” De Hek heeft geen twijfels over de oorzaak. “In zo’n nieuwe woning zit nog wel wat vocht. Doordat hij droogt, krimpt het hout, en met name de houten profielen. Maar de schroeven in die houten profielen krimpen niet. Dus wanneer het hout zich door de krimp terugtrekt, wordt de schroef als het ware naar buiten gedrukt. Daardoor drukt hij de pleister los.” Volgens de Hek is dat de ene keer erger dan de andere keer. “Hoe vochtiger of verser het hout is en hoe vochtiger de omstandigheden tijdens de montage zijn, hoe groter de krimp zal zijn van het hout en hoe duidelijker je dat zult zien.”

Onder de maat

Ook de dikte van de pleisterlaag speelde een rol. “Bij het weghalen van de loszittende pleister zag ik dat de laag ongeveer 3 tot 4 mm dik was”, zegt de technisch adviseur. “Dat had minimaal 10 mm moeten zijn. Dan zou ook de horizontale afwerking van de naden van de gipsplaten minder zijn opgevallen; die kon je nu goed zien.” Volgens hem waren ook er duidelijk aanzetten, rillen, en groeven of krassen zichtbaar. ”Dat is niet goed, een schilderklaar oppervlak moet vrij zijn van onregelmatigheden.”

Nog even wachten met herstellen

Advies voor herstel had De Hek ook. “Het herstellen kan worden gedaan door eerste de zichtbare plekjes los te halen. Dan de ondergrond lichtjes schoonborstelen, voorstrijken en vullen met voegenvuller of gips. Hierna kan het gehele oppervlak worden voorgestreken met een daarvoor bedoelde voorstrijk, zoals Knauf Betokontakt. Als dat volledig droog is kan het oppervlak worden voorzien van pleisterlaag.” Voor de timing van de herstelwerkzaamheden had hij ook nog goede raad. “De woning is op dit moment volledig geklimatiseerd en droog maar ik adviseer toch om tot ná het stookseizoen te wachten met de reparatie. Dan vermijd je namelijk het risico van krimpscheurtjes door te snelle droging.”


Tekst: Klokhuys tekst en foto
Fotografie: Hermen de Hek

Houtbouw is de toekomst, is een veel gehoorde kreet. Goed nieuws voor stukadorend Nederland is dat dat niet ten koste hoeft te gaan van gevelbepleistering, zagen we bij een massief houten woning in Heikant. Sterker nog, de combinatie van massief hout met buitengevelisolatie levert een hoop voordelen op.

Tekst en fotografie: Klokhuys tekst en foto

Hoewel de ‘lobby’s’ van betonbouw en houtbouw elkaar nog trachten de loef af te steken over wie het duurzaamst is, hebben de echte liefhebbers hun keuze al gemaakt. Groene harten gaan nu eenmaal sneller kloppen bij het idee van een houten woning, en helemaal als het om massief hout gaat. Een bescheiden opmars is ingezet. Traditionele bouw, met beton en baksteen dus, is echter nog altijd met afstand de standaard en er zal nog veel moeten gebeuren wil daar verandering in komen. ‘Hout’ op zich is geen toverwoord waarmee je zomaar iedereen die een nieuwe woning wil en ‘wel iets met duurzaamheid heeft’ over de streep trekt; de investering ligt immers iets hoger dan bij traditionele bouw. Volgens Johnny Smet van Bouwnet Graauw gaat het daarom naast de pro’s als het milieuverhaal ook om het financiële totaalplaatje. “Je moet duidelijk maken wat de totale woonlast is; dus niet alleen de aanschafprijs van een huis maar ook de gebruikskosten”, zegt de ontwikkelend aannemer. “Dan kan de klant traditionele bouw afzetten tegen dit type woning en een weloverwogen keuze maken.” Met dit type woning bedoelt Smet de unieke woning van massief hout die hij recent in het Zeeuws-Vlaanderse Heikant bouwde en afbouwde.

Twee keer bouwen

Heikant is een relatief jong lintdorp in Zeeuws-Vlaanderen op een paar honderd meter afstand van de grens met België. De woning die Bouwnet Graauw er realiseerde, ligt achter dat lint op een stuk grond waar een handjevol huizen wordt gebouwd. Het is daar de enige houten woning, de rest is traditionele bouw. Het aardige daarvan is dat zo goed het verschil in techniek en vooral bouwsnelheid is te zien. Een korte bouwperiode was naast duurzaamheid en kosten bepalend voor de keuze van de opdrachtgever. Grote winst in bouwtijd is voor een deel geboekt door een gedegen voortraject. Dat startte effectief rond het moment dat de bouwvergunning werd aangevraagd. In de circa veertien weken doorlooptijd voor dat papierwerk werd de woning eigenlijk al een keer gebouwd, maar dan in 3D, in de computer. Zodra de vergunning rond was kon aan de hand van de AutoCAD tekening met de ‘echte’ productie worden gestart.
De woning is gebouwd met het Zwitserse Magnum Board. Dat is technisch hout, vergelijkbaar met OSB maar gemaakt met een andere lijmsoort en met een gladder oppervlak. Platen van zestien meter lang werden verlijmd tot een halffabrikaat van tien centimeter dik waarmee de wanden, vloeren en dak van de woning zijn gemaakt. In de fabriek van Van Houtven Massieve Houtbouw in België zijn de enorme panelen op maat gemaakt en werden alle sparingen aangebracht op de juiste plek en met de juiste afmetingen. Een week of vijf na de start van de productie zijn de kant en klare onderdelen van de constructie naar Heikant getransporteerd. Het casco van de houten woning is in drie dagen neergezet, de complete afbouw nam drie maanden in beslag.

Op hout kan het ook

Onderdeel van de afbouw was het aanbrengen van een buitengevelisolatiesysteem. Dat was een spannende aangelegenheid want voor Nederland is dit soort houtbouw uniek. De vraag was dan ook of er wel met een bestaand buitengevelisolatiesysteem kon worden gewerkt. Bouwnet vroeg daarvoor advies aan Caparol. “Omdat we dit nog niet eerder hadden gedaan, hebben we ons licht opgestoken bij de collega’s van ons moederbedrijf DAW in Duitsland”, zegt accountmanager Bert Wolters. “Ze bleken daar in de afgelopen drie jaar al een aantal keren dit soort houtbouwprojecten te hebben gedaan. Dat was mooi want nu konden we gebruik maken van de kennis en ervaring die ze op dit vlak al hadden opgedaan zodat we het wiel niet opnieuw hoefden uit te vinden.”
In wezen is dat spreekwoordelijke wiel niet heel veel anders dan het systeem dat Caparol voor steenachtige ondergronden heeft. Basis van het systeem zijn de Capatect-Dalmatiner-Fassadendämmplatten; EPS-platen met een hoge isolatiewaarde. Op steenachtige ondergronden worden die verlijmd met een minerale lijm, maar op hout gaat dat niet. Speciaal voor houten ondergronden ontwikkelde Caparol een andere lijm, Capatect Ecofix 055/20. Die is dan ook bij de woning in Heikant toegepast. De detaillering is niet anders dan bij een traditionele ondergrond. Dat geldt ook voor het aanbrengen van een wapeningslaag – een mortel waarin een weefsel is ingebed – en de afwerking. De woning in Heikant is afgewerkt met een krabpleister, korrel 1,5 mm.

Uitvlakken hoeft niet meer

Zowel Wolters als Smet zijn goed te spreken over de combinatie van het buitengevelisolatiesysteem met de houten ondergrond, onder meer omdat Magnum Board een heel stabiele ondergrond oplevert. “Daarnaast is de ondergrond ook heel vlak en dat maakt de applicatie een stuk eenvoudiger. Met een stenen ondergrond moet je nog wel eens uitvlakken of, als dat niet goed gebeurt, het isolatiemateriaal bijschaven”, zegt de accountmanager van Caparol. “Dat is toch altijd aardig wat werk en gebeurt het niet goed, dan zie je dat al snel terug in het eindresultaat”, vult Smet aan. “Met de mortelweefsellaag kun je immers geen grote oneffenheden meer wegwerken. Zou je dat doen, dan ontstaan er spanningsverschillen in de gevel en loop je het risico van scheurvorming.”
Honderd procent zeker van een volledig vlakke ondergrond ben je ook met Magnum Board overigens niet. Belangrijk is toch ook hoe vakkundig het bouwpakket in elkaar is gezet. Bijvoorbeeld bij de verdieping zijn namelijk wel naden, en als de elementen niet tot op de millimeter nauwkeurig op elkaar aansluiten dan bestaat de kans dat je dat toch terugziet in de pleisterafwerking.

Warme combinatie

Hoewel het uiterlijk absoluut belangrijk is, draait het bij een buitengevelisolatiesysteem toch vooral om de meerwaarde op het gebied van duurzaamheid. Zeker bij een houten woning is dat het geval. De keuze voor een herwinbare grondstof als voornaamste bouwmateriaal is toch in de eerste plaats een milieubewuste. Dus dat in de woning volgens Smet 60 ton CO2 is opgeslagen, is een enorm pluspunt. Maar zoals de man van Bouwnet Graauw al aangaf, ook de gebruikskosten zijn van wezenlijk belang. En dan speelt isolatie een grote rol. Daarmee zit het in Heikant wel goed. De complete gevel – 10 cm dikke muren van technisch hout, 16 cm dik EPS, wapeningslaag en afwerking – is goed voor een Rc waarde van 5,5. Dat is volgens Smet ruimschoots meer dan wanneer hetzelfde systeem op een traditionele baksteen woning wordt toegepast. Het is ook meer dan de voor nieuwbouw vereiste 4,7. Genoeg voor een energieneutrale woning is die Rc-waarde niet, maar dat is volgens Smet met deze woning ook eigenlijk niet goed te realiseren met isolatie alleen. “Je kunt de gevelisolatie wel heel dik maken maar je moet ook rekening houden met de isolatie van het dak. Daar zou je dan eveneens een dikker pakket op moeten leggen. Alleen kom je dan al snel in conflict met regelgeving; er is immers een maximum hoogte voor een woning met een plat dak. Verdiepingen lager maken om meer ruimte voor een dikker dak te creëren is geen optie. Je moet ook rekening houden met de minimale plafondhoogte en met dit bouwsysteem heb je nu eenmaal te maken met een heel dik vloerpakket. Wil je met deze woning toch energieneutraal, dan is de meest rationele en goedkoopste oplossing om de acht zonnepanelen die standaard op het dak liggen, uit te breiden naar twaalf.”

Keer op keer op keer

Het duurzaamheidsverhaal draait niet alleen om het minimaliseren van brandstofverbruik en stookkosten, ook circulariteit is een punt van groeiende aandacht. Op dat vlak scoort hout goed, het is immers uitstekend opnieuw te gebruiken. Maar hoe zit dat met het buitengevelisolatiesysteem? “Dit systeem gaat gemakkelijk 25 tot 30 jaar mee”, zegt Wolters. “Moet je het na die tijd vervangen, dan haal je het hele systeem eraf. In onze fabriek worden mortelweefsellaag en afwerking van het isolatiemateriaal af gefreesd. Het afval wordt vermalen en gebruikt als vulmateriaal onder asfaltwegen en de platen worden hergebruikt. Dat proces kun je zeven keer herhalen dus het duurt ruim 200 jaar voordat materiaal zijn isolatiewaarde niet meer heeft. Nu wordt EPS-afval verwerkt in bijvoorbeeld tuinmeubilair maar over twee eeuwen hebben we vast meer inzicht in wat je er allemaal nog meer mee kunt doen.”
Voor de bewoners van de houten woning in Heikant is de circularitetit van de materialen die in hun woning zijn gebruikt, zeker relevant. De keuze voor deze woning werd immers ook gemaakt met het oog op de toekomst van komende generaties. Of die met dit soort bouw wordt zekergesteld, is natuurlijk nog afwachten. Wat op dit moment wel al duidelijk is, is dat beloftes zoals een kortere bouwtermijn dan bij traditionele bouw in ieder geval niet loos waren. Want terwijl de buren nog volop aan het bouwen zijn, is het massief houten huis al bewoond, en aangenaam comfortabel.

Schrijf je nu ook in voor onze nieuwsbrief!