Plafondrestauraties in Delft – Van veel voorkomend tot absoluut uniek

De historische binnenstad van Delft trekt niet alleen veel toeristen, ook restauratiestukadoors zijn er regelmatig te vinden. Vorige eeuw verdwenen nog veel van de ornamenten- en lijstenplafonds in de oude panden achter verlaagde plafonds, of werden zelfs gesloopt. Tegenwoordig waarderen steeds meer mensen het decoratieve stucwerk en kiezen voor herstel en behoud. Schuller Restauratie Stukadoors nam er al een aantal onder handen.

Niet alle grachtenpanden zijn groot en statig. Het huis dat Nienke en Kris een paar jaren geleden kochten, is niet de opvallendste verschijning in het straatbeeld. Maar ook dit relatief smalle pand bevat meerdere plafonds met lijsten en ornamenten. Ze waren wel in zeer slechte staat toen het stel het huis kocht, maar dat gold voor meer onderdelen van de woning. Het pand is flink onder handen genomen, onder meer de complete vloer van de benedenverdieping is vervangen en die woonlaag is opnieuw ingedeeld. Met veel zorg is ook het plafond onder handen genomen.”Er zat een ornament dat zwart was geverfd, daar was nog maar een deel van over. En van het lijstwerk was ook behoorlijk veel verdwenen”, zegt Nienke. De restanten verwijderen was geen optie, het pand is een gemeentelijk monument. De nieuwe bewoners konden kiezen tussen herstellen of laten zitten en verbergen achter een verlaagd plafond. “Als je bij andere panden naar binnen kijkt, dan zie je dat veel mensen voor dat verlaagde plafond hebben gekozen, maar dat wilden wij niet. Zo’n plafond máákt het pand”, verklaart ze de keuze voor restauratie.

Van Alkmaar tot Delft

Restauratiestukadoor Hans Schuller kijkt ook regelmatig naar binnen bij woningen in de Delftse binnenstad. “Dit plafond zie je regelmatig terugkomen in andere panden, zelfs bij de buren zag ik het.” En Delft is niet de enige stad waar hij dit specifieke ornament uit de collectie van Silberling & Zn. is tegengekomen. Schuller restaureerde hetzelfde stuk in een pand in Alkmaar. Zo vonden Nienke en Kris de restauratiestukadoor ook. “We hadden een foto gemaakt van ons plafond en op internet via image search geprobeerd iets vergelijkbaars te vinden. Uiteindelijk kwamen we het tegen op de Facebook-pagina van Schuller, in een post over die restauratie in Alkmaar.”
Dat er een Silberling-ornament in het Delftse pand is gebruikt, geeft aan dat het plafond niet origineel is. Volgens de database van de gemeente Delft is de woning namelijk in de 17e eeuw gebouwd, terwijl de firma Silberling & Zn rond 1860 begon met de collectie geprefabriceerde ornamenten, hoekstukken en lijsten. “In 1890 is de voorgevel van dit huis veranderd; er is toen een winkeltje van gemaakt. De plafonds zijn ook van die tijd”, weet Nienke. “We zijn elders in het huis ook nog resten van beschilderde houten plafonds tegenkomen, dat is van een vroegere periode”, vult Kris aan.

Voor een volgende fase

Hans Schuller en zijn zoon Michael hebben in de loop der jaren een uitgebreide Silberling-collectie opgebouwd. Die kwam goed van pas bij dit project, toen naast de restauratie van het plafond in de voorkamer, ook het plafond van de achterkamer ter sprake kwam. Daar hadden de nieuwe bewoners geen restanten van lijsten of een ornament aangetroffen, maar nu er geen muur meer staat tussen het voor- en het achterhuis, leek het ze passend om ook daar een fraai plafond te hebben. “Die catalogus is erg groot maar voor de periode waar de plafonds in ons huis uit komen, viel de keuze wel mee”, aldus de bewoonster. “En hoewel we het verder behoorlijk modern hebben ingericht, wilden we met dat plafond wel iets uit de juiste tijd en geen Art Deco of Jugendstil.” Ook dit plafond bestaat uit een middenornament, vier hoekstukken en perklijsten. Volgens Schuller is de stijl eclectisch, een mix van verschillende historische stijlen. Ornament en hoekstukken, voorzien van onder meer loof en fruit, zijn niet hetzelfde als in het voorhuis; de lijsten wel. De restauratiestukadoors hadden van de restanten van het lijstwerk in het voorhuis mallen gemaakt die ze gebruikten om nieuwe lijsten te trekken. Dezelfde profilering komt ook terug in het lijstwerk van twee plafonds op de verdieping, net als de afstand van de lijsten tot de wanden. “Dat maakt het rustiger dan wanneer je álles anders maakt”, zijn Nienke en Schuller het eens. De ornamenten op de verdieping zijn wel allebei verschillend van elkaar én anders dan de plafonds van de begane grond. Grootste verschil is echter dat de plafonds op de verdieping nog niet onderhanden zijn genomen. De ornamenten zijn in de afgelopen eeuw behoorlijk dicht gesausd. “Dat willen we nog aanpakken maar dat komt nog wel; we zijn toch nog lang niet klaar met de verbouwing”, aldus de bewoners.

Gevaarlijk verzakt

Net even buiten de historische binnenstad zijn de woningen iets minder oud dan in het schilderachtige centrum. Wanneer hun woning precies is gebouwd weten Chris en Sigrid niet, maar ze schatten in dat het rond 1880 moet zijn geweest, zo’n twintig jaar nadat de eerste woning in de straat werd gebouwd. “We kochten het huis in 2005”, zegt Chris. “Er zaten toen diverse stucplafonds in maar de ornamenten waren helemaal dicht geverfd. Dat was niet mooi maar je sloopt zoiets natuurlijk niet, dus gingen we op zoek naar iemand die het voor ons kon herstellen.” Na een tip werd Schuller Restauratie Stukadoors benaderd. Het stukadoorsbedrijf uit Wateringen pakte in eerste instantie alleen het plafond van de voorkamer op de begane grond aan. Niet alleen waren daar de details van verdwenen achter vele lagen verf, het was ook nog eens gevaarlijk verzakt. “We hebben de ornamenten, de hoekstukken en de lijsten verwijderd en alles schoongemaakt in de werkplaats”, vertelt Hans Schuller over de aanpak. “Daar hebben we er vervolgens mallen van gemaakt om nieuwe stukken te kunnen gieten. De lijsten hebben we nieuw getrokken.” Het riet van het verzakte plafonds is volledig verwijderd en vervangen door gipsplaten waar alle onderdelen op zijn aangebracht.

Gigantisch middenornament

Ruim tien jaar na de eerste ingreep keerden de Schullers terug voor het plafond op de eerste verdieping. Een veilig moment, de werkzaamheden aan de spoortunnel waren klaar dus gevaar van schades aan het stucwerk door trillingen was er niet meer. Hoogtepunt van deze restauratie was het middenornament in de woonkamer. Door verzakkingen in het plafond was het pronkstuk gaan golven. Daarnaast was er door een heleboel lagen verf en nicotine weinig meer te zien van de verbijsterende rijkdom aan details van het ornament. De restauratiestukadoors zaagden het volledige ornament uit het plafond. “Van punt tot punt is het ruim 2,5 meter lang en zo’n 1,5 meter breed en het bleek uit twaalf verschillende onderdelen te bestaan”, zegt Schuller. Door het gigantische ornament voorzichtig te bewegen, konden de stukadoors aan het craquelé zien waar de naden zaten en onderdeel voor onderdeel voorzicht losmaken. Ook deze werden weer in de werkplaats schoongemaakt en afgemald voor nieuwe gietstukken. En net als op de begane grond werd het slechte rieten plafond vervangen door gipsplaten.

Kleine extra’s

De hoekornamenten en de lijsten zijn eveneens hersteld, en ook dat leverde verrassingen op. De perklijsten hebben een bijzonder profiel, sommige onderdelen krullen om. Het geeft een bijzonder schaduweffect maar het maakte het wel ingewikkeld om de lijsten in het werk te trekken. Doordat de details van de hoekornamenten weer duidelijk zichtbaar zijn, is te zien dat deze ornamenten niet volledig symmetrisch zijn. “Deze hoekstukken bestaan uit drie delen, een middengedeelte en twee vleugels”, zegt Schuller. “Dat was heel slim bedacht. Bij dit soort huizen staan de wanden vaak niet haaks. Nu konden ze zo’n ornament zo plaatsen dat de afstand tot de wand toch overal gelijk was en ze ook goed uitkwamen met de lijsten.” Zouden die niet mooi parallel aan de wand lopen, dan zou dat zeker opvallen. Dat de vleugels niet exact in dezelfde hoek tot het middengedeelte staan, zie je echter pas als je goed kijkt. En ook eigenlijk alleen maar doordat heel fijne details nu pas weer zichtbaar zijn.
Of het om plafonddecoraties uit de Silberling-collectie gaat, durft Schuller niet met zekerheid te zeggen. “We hebben ze niet kunnen terugvinden in de catalogussen die wij bezitten, maar we hebben wel een aantal van de stukken gevonden in een Silberling-catalogus van de firma Vissers die gevestigd was op de Prinsengracht in Den Haag.” Dat maakt het volgens hem zeer waarschijnlijk dat de andere stukken óók uit de collectie van Silberling & Zn komen. De bewoners zijn in ieder geval heel blij met de gerevitaliseerde plafonds. “Er zitten details in die we nooit eerder hebben gezien!” Dat kan kloppen; de Schullers hebben ook een paar dingetjes aan het reusachtige middenornament toegevoegd, symbooltjes die betrekking hebben op de hobby’s van de bewoners. Het maakt de toch al niet bepaald doorsnee stucdecoratie absoluut uniek.

=====

Tekst en fotografie: Klokhuys tekst en foto

Zeventig jaar lang heeft het imposante buitenhuis Reuversweerd bij Brummen leeggestaan. Toen in 2017 de deuren werden geopend voor een nieuwe toekomst, was de schade door oorlog en achterstallig onderhoud groot. Van het indrukwekkende stucwerk was echter genoeg overgebleven om het, net als de rest van het monument, in oude glorie te herstellen.

180 jaar oud is landhuis Reuversweerd dit jaar. F.C. Colenbrander II bouwde het in 1842 in het IJsseldal, op de overgang van de lage kronkelwaard naar het iets hoger gelegen rivierterras. Tegenwoordig ligt dat in de gemeente Brummen, buurtschap Cortenoever. Vooral de middenrisaliet en het balkon dat wordt gedragen door twee paren Toscaanse zuilen, maken de gevel een opvallende verschijning in het landschap.
De Tweede Wereldoorlog heeft een enorme impact op Reuversweerd gehad. Tijdens de bevrijding van Brummen in april 1945 kreeg het buitenhuis dat was gevorderd door de bezetter de volle laag; kogels en granaten van de geallieerden hebben een spoor van vernieling getrokken. Veel groter nog waren de gevolgen van de executie van de toenmalige eigenaar door Nederlandse SS’ers, pal voor de bevrijding; het buitenhuis heeft na de oorlog zeventig jaar leeg gestaan en dat is voor geen enkel gebouw goed.
Met een nieuwe eigenaar kreeg Reuversweerd in 2017 een nieuw perspectief; het Rijksmonument opent in 2024 de deuren als stiltecentrum, een huis voor gesprek en reflectie, met schoonheid, stilte en harmonie als kernwaarden. Daar is dan wel een jarenlange en ingrijpende restauratie aan vooraf gegaan om de heftige schades te herstellen. Bouwbedrijf Hoffman uit Beltrum is daar in 2018 mee begonnen.

Traditionele stucmortel

Vraagstuk bij veel restauraties is wat je als uitgangspunt aanhoudt. Bij Reuversweerd is voor de situatie van rond 1920 gekozen; een markant moment in de geschiedenis van het landhuis omdat het toen is uitgebreid en gemoderniseerd. Er kwam elektriciteit in, een personenlift, radio en centrale verwarming. Hypermodern dus, voor die tijd. Bouwbedrijf Hoffman heeft opdracht gegeven om diverse onderzoeken te laten uitvoeren naar de toenmalige bouwkundige staat van het huis. Er is onder meer kleuronderzoek gedaan en de stucmortels die voor de gevels zijn gebruikt, werden in laboratorium TCKI in Velp onder de loep genomen. Aan de hand daarvan heeft de Bouwbedrijf Hoffman een mortel samengesteld met bergzand uit Duitsland, hydraulische kalk, traskalk en wat cement. “Door de levensduurtest die er mee is gedaan, weten we dat het wel goed zit met deze mortel”, zegt uitvoerder Jos ten Brake. Dat vertrouwen is onder meer gebaseerd op de vorst- en dooitest waarbij de mortel is blootgesteld aan temperatuurwisselingen van -20 naar +20 graden. “Pas na negentig keer begon de mortel uit elkaar te vallen”, zegt Ten Brake trots over de zelfgemaakte traditionele mortel. “Sommige prefab mortels halen dat ook wel, maar alleen als ze door een goed afgestemd en dampopen verfsysteem worden beschermd.” En sausen is hier niet de bedoeling. De gevel heeft wel een okerkleur gekregen maar dat is gedaan door toevoeging van okerzand aan de mortel zelf, niet door een verflaag.

Iets meer dan repareren alleen

Aanvankelijk zou het bij de gevel om repareren gaan. Prima te doen met z’n tweeën, dachten Berry en Ruud Derksen van Stukadoorsbedrijf Gelderland. Maar het werd toch wat meer werk toen bleek dat in de jaren twintig bij het oude gedeelte van het landhuis de nieuwe mortel, waar cement in zat, over de originele cementloze schelpkalkmortel heen is gezet. “Dan heb je toch kans op hechtingsproblemen”, zegt Ten Brake. “Op sommige plekken zagen we dat de originele mortel helemaal verzand was.” Om die problemen te voorkomen is de gehele gevel tot op de baksteen kaal gemaakt. Zelfs de voegen zijn deels uitgekrabd zodat ook daar geen spoortje meer van de oude mortel te vinden was. Toen pas waren de gevels klaar om helemaal opnieuw te worden gestukadoord. De opdrachtgever wilde wel dat er geen steigerslagen te zien zouden zijn. Ook al was de gevel met lijsten en kolommen opgedeeld in allerlei verschillende vlakken, het was toch een beetje teveel van het goede voor een tweemansbedrijf. Vader en zoon Derksen riepen de hulp in van Eric Derksen van Derksen stukadoors en van stukadoorsbedrijf Maikel van Dinther, toen nog bezig met de opleiding meester restauratiestukadoor maar inmiddels afgestudeerd en een kersvers Stucgildelid.

Geweldige leerschool

In 2019 zijn alle gevels gedaan, en ook de schoorstenen op het dak. In de winter gingen de stukadoors naar binnen, daar viel ook wel wat te doen. Als Mebest in 2022 langskomt zijn de stukadoors nóg bezig. Zeker het oude deel van het landhuis bevat flink wat behoorlijk indrukwekkende stucreliëfs, ornamenten en lijsten. Veel ervan was er behoorlijk slecht aan toe, van sommige geornamenteerde plafonds was zelfs niet veel meer over. “We hebben Jaap Poortvliet gevraagd om ons te helpen”, zegt Ruud Derksen. “Vooral het reconstrueren en opnieuw ontwerpen van plafonds is iets waar hij heel goed in is. En ook voor het herstellen van de stucreliëfs konden we zijn vakkennis en vakmanschap goed gebruiken. Hij kon dat mooi overbrengen op een jongere generatie stukadoors als mijn zoon Berry en Maikel van Dinther die ons ook bij het binnenwerk helpt.” Van Dinther is erg blij dat hij bij dit project betrokken is geraakt. “Ik heb nu ruim 15 jaar mijn eigen bedrijf en werkte tot dusver vooral voor particulieren. Dat is meestal standaard vlak stukadoorswerk, maar ik doe ook decoratief stukwerk. Ik had ook al de nodige ervaring met restauratie klussen. Deze tak van sport vond ik zo interessant dat ik besloot de opleiding tot meester restauratiestukadoor te gaan volgen. Daar heb ik onder meer geleerd om met kalk en gips te boetseren en dat ging me best goed af. Hier doe ik alle restauratiewerkzaamheden, van ornamenten schoonmaken tot boetseren. Omdat er hier, op Reuversweerd, erg veel werk te verzetten is en ik ook het boetseren dus veel doe, merk ik dat ik steeds behendiger en beter wordt. Want zeker qua omvang en variatie is dit project wel écht next level.”

Honderden blaadjes

Elke kamer in het landhuis heeft zijn specifieke plafonddecoraties en elk onderdeel ervan hebben de stukadoors onder handen genomen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillende grote middenornamenten met uitbundige florale versieringen, omringd door bladerkransen. Ruud en Berry Derksen en Maikel van Dinther hebben elk blaadje, bloempje en trosje in zijn handen gehad. “We hebben ze allemaal van het plafond gehaald en op de werkbank schoongemaakt. Verdwenen stukjes hebben we bijgeboetseerd. En door mallen en afgietsels te maken hebben we ontbrekende bladeren terug kunnen plaatsen.” Een titanenklus want verspreid over de verschillende kamers zijn de plafonds in Reuversweerd met honderden blaadjes opgesierd. En hoewel veel blaadjes destijds al prefab waren gemaakt, is de verscheidenheid aan loof in Reuversweerd enorm. Daar komt nog bij dat de stukadoors niet met chemische middelen mochten werken. “En stoom had geen effect; daarvoor was de oude kalk teveel versteend”, zegt Derksen. “We hebben hier dus alles met mesjes afgekrabd.”
Koof- en perklijsten werden ook schoongemaakt en gerepareerd. Daarvan waren hier en daar hele stukken verdwenen. Omdat ze in elke kamer net even een ander profiel hebben, moesten er aardig wat verschillende mallen worden gemaakt om de ontbrekende delen opnieuw te kunnen trekken.
In een enkele kamer verving stukadoorsbedrijf Gelderland ook nog het plafondveld tussen de kooflijsten. “Het riet was daar erg slecht, daar hebben we stucanet voor in de plaats gezet”, aldus Derksen.

Wederopbouw op de wand

Op de begane grond springt één ruimte eruit qua decoraties; de hal, direct achter de voorname entree. Op de overgangen van wand naar plafond zie je hier geen strakke geprofileerde kooflijsten maar grote acanthusbladeren. Er is wel weer een middenornament met heel veel blad maar wat hier vooral in het oog springt zijn de wandpanelen met panorama’s van de omgeving. ‘Zicht op Zutphen’ bijvoorbeeld. Helaas was het prachtige stucreliëf zwaar beschadigd, tijdens de beschieting in 1945 is er een granaat dwars doorheen gegaan. Een aantal gebouwen waaronder een van de kerktorens is weggevaagd, en ook een paardje was uit het landschap verdwenen. Jaap Poortvliet heeft het paneel hersteld. “In de keuken vond ik een tegel met een afbeelding van paard en wagen. De kans is groot dat dat precies hetzelfde beeld is als op het paneel, dus dat paardje heb ik als voorbeeld gebruikt om een nieuwe te boetseren.” Ook de ‘skyline’ van het oude Zutphen heeft hij nieuw geboetseerd.
Terwijl je aan het gerestaureerde wandpaneel ‘Zicht op Zutphen’ niet kunt zien dat er een nieuw paardje voor de wagen is gespannen, valt de wederopbouw van de stad wel goed op. Het is een bewuste keuze geweest om de vorm van het granaatgat te accentueren. Alle schade herstellen zodat er niets meer van te zien is, was een mogelijkheid geweest maar de impact die de Tweede Wereldoorlog op het landhuis heeft gehad, maakt wel een wezenlijk deel van de geschiedenis van Reuversweerd uit. Daarom hebben de opdrachtgever en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed een paar plekken in het monument aangewezen waar dat stuk historie zichtbaar blijft.

Omvangrijke puzzel

In het deel dat honderd jaar geleden is aangebouwd, is het verschil met de ‘oudbouw’ goed te zien. Hier geen weelderige stukdecoraties maar strakke plafonds met hooguit sobere holle kooflijsten en platte plinten. Geluk bij een ongeluk dat juist die plafonds het meest te lijden hebben gehad van de beschietingen. De stukadoors hebben ze grotendeels opnieuw moeten maken.
Ook op de verdieping zijn in de meeste ruimtes de decoraties wat minder prominent. Een uitzondering is het trappenhuis. Daar troffen de stukadoors een enkel hoekstuk en wat schamele restanten van een reusachtig en rijk versierd middenornament aan op het plafond. Aan de hand van die stukjes heeft Poortvliet het ornament gemaakt. “Er was een stuk van een cirkel, die kun je dan compleet maken”, legt hij uit. “En uit bestaande onderdelen van de ene kant van het ornament kun je wel afleiden hoe de andere kant eruit gezien moet hebben.” Het gereconstrueerde kunststuk is 1 meter breed en ruim 3,5 meter lang. Het bestaat uit negen delen die op een onderplaat worden bevestigd om in het plafond geplaatst te kunnen worden.

Klassiek en modern in één plafond

Voor één kamer waar helemaal geen stucdecoraties inzaten, kreeg Poortvliet het verzoek om een heel nieuw plafond te ontwerpen en maken. “Dat was interessant. Vaak zie je in de vier hoekstukken dat ze de seizoenen uitbeelden of dat ze persoonlijke dingen van de opdrachtgever bevatten, uitbeeldingen van werk of liefhebberijen bijvoorbeeld. Ik heb het er met de opdrachtgever over gehad wat voor dingen hij erin wilde. Het idee is om iets te doen met de beroepen van zijn vier kinderen.” Uiteraard bevat het ontwerp naast die eigentijdse onderdelen ook klassieke elementen. Daarvoor heeft de inmiddels 78-jarige meesterstukadoor zich laten inspireren door het stucwerk in het Schiedamse huis Nolet, die decoraties stammen uit dezelfde tijd als Reuversweerd. Zo heeft hij rondom de hoekstukken forse bladerguirlandes bedacht. In die kransen liggen de blaadjes dicht op en over elkaar. Naarmate ze overgaan in de perklijst, komen ze verder uit elkaar te liggen, wordt het een snoer met blaadjes. Een deel van het ontwerp heeft Poortvliet al geboetseerd en gegoten, en uitgestald op een tafel op de bouwplaats. “Voor veel mensen is het moeilijk om aan de hand van een tekening een goed beeld te krijgen van hoe het eruit ziet als het op het plafond zit”, legt hij uit. “Een tekening is zwart op wit én op schaal, dat kan heel druk overkomen. In het echt is het veel groter, is het wit op wit en zorgen licht en schaduw voor een veel rustiger beeld. Daarom is het handig om wat voorbeeldstukken te maken.” Mocht het ontwerp zo uitgevoerd worden, dan is er straks nóg een belangrijke mijlpaal in de geschiedenis van Reuversweerd te zien in het stucwerk.

=====

Tekst en fotografie: Klokhuys tekst en foto

Helemaal duidelijk is de geschiedenis van huis Vredenburg in Boven-Leeuwen niet, maar toen Ardie Bull het pand tien jaar geleden kocht, was wel helder als glas dat er veel herstelwerk nodig was om het in orde te krijgen. Vooral de gepleisterde gevel was er slecht aan toe. Meesterstukadoor Jan Hoskam uit Ammerzoden is twee jaar bezig geweest om alles weer heel en mooi te maken.

De locatie is geweldig, vlakbij de uiterwaarden van de Waal. Volgens de website www.rijksmonumenten.nl is de T-boederij daar in het derde kwart van de 19e eeuw gebouwd. De huidige eigenaar heeft het vermoeden dat de geschiedenis wel eens verder terug kan gaan. “Dit schijnt het jachthuis te zijn geweest dat bij kasteel Huijs Leeuwen hoorde. Dat zou kunnen want in de jachtkamer zitten muurschilderingen waarop 1622 staat.” Het gebouw zou dan dus minstens 4 eeuwen oud zijn. Er zijn echter ook verhalen dat het is gebouwd met het materiaal van het kasteel nadat dat was afgebroken. Die sloop gebeurde begin 19e eeuw. Dan moeten er dus complete stukken muur met de muurschilderingen zijn hergebruikt. Duurzaam, maar het maakt het wel verwarrend. Ook de bevindingen van meesterstukadoor Jan Hoskam tijdens zijn werk aan de gevel geven geen uitsluitsel. “Aan de voegen en doordat het niet in verband is gemetseld kun je zien dat het geen schoon metselwerk is geweest. Het moet dus wel vanaf het begin gestukadoord zijn geweest, maar er zat een zware cement op de gevel dus dat kan er nooit 400 jaar geleden zijn opgezet.” Zeker is in ieder geval dat met het gebruik van de cementmortel een klassieke fout is gemaakt want de bakstenen waarop hij is aangebracht, zijn erg zacht. Het is een combinatie die vroeg of laat gegarandeerd voor problemen zorgt. Hier was het echter niet de enige reden dat het gevelstucwerk er zo slecht aan toe was.

Vocht, verzakkingen en mest

Hoe mooi de locatie achter de Waaldijk ook is, de grond rondom het monumentale pand is erg nat. “Het eerste dat we hebben gedaan toen we het hadden gekocht is een vijver graven om het water kwijt te kunnen. En we hebben ook grindkoffers langs de gevels gemaakt”, zegt eigenaar Bull. “Tegen de voorgevel aan lagen tegels, in cement. Het water bleef daar staan waardoor de gevel drijfnat was geworden.”
Ander probleem was de verzakking van de woning. “De voorgevel is 20 meter lang, daardoor viel het eerst helemaal niet op hoe scheef het pand staat”, zegt Hoskam. “Toen de steiger was geplaatst, werd dat wel duidelijk. Aan de ene kant zaten we 20 cm onder de dakrand, aan de andere kant zaten we er zowat tegenaan, en dat terwijl de steiger toch echt waterpas was gezet!” Door die verzakking waren de muurankers die door de gevel in de vloerbalken staken, de gevel in getrokken.
En dan waren er nog de stallen aan de achterkant van het pand. Daar is jarenlang mest in opgeslagen geweest. Waar dat tegen de gevels aan heeft gelegen, heeft dat voor een enorme indringing van zouten en nitraten gezorgd.
Alles bij elkaar genoeg om zowel het pleisterwerk als de lijsten, de schijnvoegen, de gefrijnde plinten en de voetstukken in die plinten en het metselwerk zelf serieus te beschadigen.

Alleskunner

Hoskam begon in 2017 aan het herstelwerk. In eerste instantie was de vraag of hij de schade kon repareren maar daarvoor bleek het al snel te slecht, het stucwerk moest grotendeels vervangen worden. Omdat hij graag met ParexLanko producten werkt, nam de stukadoor contact op met Peter Boogaard, destijds leverancier van de Franse kalkproducten. Vanwege de grote vochtproblemen, luidde het advies om de saneermortel Parlumiere STH te gebruiken. Het is een materiaal op basis van 51% luchtkalk met puzzolane toevoegingen, aldus Boogaard. “Door die toeslagmaterialen bindt de STH sneller af en dat is wel zo prettig met buitenwerk. Pure luchtkalk heeft namelijk wel een week of 6 tot 7 nodig voor het hard is.”
Bepalend voor het advies was vooral dat de STH over een bestaande raaplaag heen kan, onder het maaiveld kan worden toegepast en een bufferend vermogen heeft. Allemaal zaken die hier aan de orde waren, al waren niet voor elke muur ál die eigenschappen nodig. “Je kunt wel met allerlei verschillende materialen gaan werken maar dat maakt het er niet makkelijker op”, licht Boogaard de keuze toe om het bij één product te houden.

Zoutprobleem opgelost

Voordat de saneerpleister werd aangebracht, moesten er wat maatregelen worden genomen tegen de oorzaken van de schade. Zo vereiste het zoutprobleem bij de stalmuren een sluitende oplossing. Hoskam gebruikte daar onder meer Technicure CS voor. “Dat materiaal zorgt ervoor dat de zouten niet meer oplossen in water en met het vocht mee omhoog de muur in kunnen trekken”, legt hij uit. De stukadoor heeft flink in de muur moeten boren om het materiaal te kunnen injecteren, om de 20 cm is onder een hoek van 45 graden een gat van 15 cm diep gemaakt waar het materiaal in is gegoten.
De Technicure legt weliswaar de zouttoevoer naar boven aan banden, het zout dat al ín de muur zit, moet er nog wel uit. Daarvoor komt de bufferende werking van de ParexLanko STH goed van pas. “Vocht dat in de gevel zit, kan door de kalk naar buiten, het zout blijft in die raaplaag achter”, legt Boogaard uit. “Daar kan het materiaal tegen, het gaat niet kapot; ook niet als het vol zit. Dan komt het zout naar buiten en veeg je het gewoon van de muur af.” Het zal wel even duren voordat dat nodig is want de bufferende laag is 3 cm dik.

Flexibel ingepakt

Bij de gevel van het voorhuis waren het met name de muurankers die voor sluimerend gevaar zorgden. Ze zijn vrijgekapt, schoongemaakt en van roest ontdaan. Vervolgens zijn ze ingespoten met Hammerite en behandeld met Flexim, een flexibele rubberachtige pasta. “De ankers zitten immers in de houten balklagen en hout beweegt altijd”, legt Hoskam uit. “Die ankers bewegen dan gewoon mee. Doe je niets om dat op te vangen, dan heb je grote kans dat het stucwerk er op een gegeven moment weer afklapt.”
Na de behandeling van de muurankers zijn de gaten dichtgemaakt met de STH waar voor de zekerheid toch ook nog wapeningsgaas in is verwerkt. Hoskam heeft vervolgens de hele gevel voorgesmeerd met STH waarin ook nog eens een wapeningsgaas is opgenomen. Nadat de schijnvoegen in blokverband waren teruggebracht, zijn alle vakken afgeschuurd met de saneermortel. Een aantal ankers is niet meer te zien. Ze waren door de verzakking de muur ingetrokken en zitten nu achter de nieuwe stuclaag.

Waterpas is scheef

Het zijn vooral de schijnvoegen die van de gevel een bijzondere verschijning maken; smalle ronde lijsten met een groef erin. “Je komt dit niet vaak tegen, en al helemaal niet in blokverband”, zegt Hoskam. Hij trok de lijsten ter plekke op de gevel. De uitdaging daarbij was vooral de verzakking van de gevel. “Want wat moet je aanhouden?” schetst de stukadoor. “Als je ze waterpas zet dan ziet het er niet uit.” Uiteindelijk is hij uitgegaan van de vensterbanken en van de lijstjes die hij op de zijgevel maakte. Omdat die gevel niet zo ernstig verzakt was konden ze daar wel waterpas worden gezet.
De schijnvoegen maakte Hoskam met Artopierre, een luchtkalk van ParexLanko. Hij zette steeds op de ene dag een aantal lengtes op en trok die iets dikker dan hij ze eigenlijk wilde hebben. Dat werk dekte hij af met plastic. De volgende dag was het dan stijf genoeg om de lijstjes met een malletje terug te krabben naar de juiste dikte en de voeg erin te maken. Dat levert een strakker resultaat op dan wanneer dat meteen al de eerste dag gebeurt.

Het betere imitatiewerk

Bij het kamwerk van de plint ging hij ook zo te werk, dus de eerste dag de Artopierre opzetten, afdekken en de volgende dag met de kam de groefjes erin trekken. “Zo krijg je meer het effect van echt frijnwerk dan wanneer je het eerder kamt.” Het kammen is immers een imitatie van gefrijnd natuursteen. “Vroeger deden ze dit nog anders”, voegt Boogaard toe. “Dan smeerde de stukadoor een dikke laag cement en kwam een aantal weken later de steenhouwer om het frijnwerk erin te kappen.” 
Hoskam ontdekte dat het kamwerk achter de basementen van de pilasters doorloopt. “Die moeten er origineel dus niet hebben gezeten maar er later op zijn gemaakt”, concludeert hij. Diverse van die voetstukken waren eveneens flink beschadigd en moesten door de stukadoor worden hersteld. “Ik heb mallen gemaakt van de delen die weg waren, met Mortier Pierre nieuwe stukken gemaakt en daarmee de boel weer heel gemaakt.”

Waardering voor de vakman

Waar vooraf de hoop was om voor Kerstmis 2017 klaar te zijn, is Hoskam, in fases, tot in 2019 bezig geweest met de restauratie van de gevel. Het heeft vervolgens nog tot eind 2021 geduurd voor het geschilderd was. “Ik heb nog niet eens alles laten schilderen”, zegt eigenaar Bull. “Het loopt allemaal behoorlijk in de papieren dus het lukt gewoon niet om het allemaal in één keer te doen. Ik doe dus ieder jaar iets.” Het doel is immers wel om het monumentale pand helemaal op orde te brengen. En om het goed te doen. “Daarom ben ik ook zo blij met zo’n vakman als Jan. En daarom is het ook geschilderd met de verf die hij heeft geadviseerd. Anders kun je het net zo goed niet doen.”

=====

 

Tekst: Klokhuys tekst en foto
Fotografie: Jan Hoskam, Klokhuys tekst en foto

Hier zit je goed voor heel veel wooninspiratie

Het hele jaar brengen we het laatste woonnieuws bij jou thuis. En van 4 t/m 9 oktober 2022 gaan we back to live tijdens de vt wonen&design beurs in de RAI Amsterdam! Ben je op zoek naar héél veel wooninspiratie, noviteiten en handige tips? Dan ben je hier aan het juiste adres! Klik hier voor meer informatie.

Batibouw, de grootste en belangrijkste beurs van België in de bouw-, renovatie- en woonsector, vindt in 2022 weer plaats in Brussels Expo. Vanwege de corona crisis is beslist om het evenement van eind februari te verplaatsen naar mei 2022. De nieuwe data: van zaterdag 21 tot en met zondag 29 mei.

RENOVATIE uitgesteld naar mei 2022. Vanwege de aanhoudende onzekerheid over de haalbaarheid van grotere zakelijke bijeenkomsten is de vakbeurs RENOVATIE uitgesteld naar dinsdag 17, woensdag 18 en donderdag 19 mei 2022. Meer informatie over deze verplaatsing staat hier.

ALLE KENNIS EN KUNDE OP ÉÉN PLEK.
Op RENOVATIE treft u zo’n 130 koplopers uit de renovatiebranche en precies 6.962* medebezoekers. Er zijn workshops, seminars en debatten. Én er is het aanpalende MONUMENT.

Een uitgekiend kennisprogramma:
De vakbeurs gaat, net als vorig jaar, hand in hand met een uitgekiend kennisprogramma in 2 theaters. Gratis aanmelden voor de workshops, lezingen, debatten en seminars kan via deze website vanaf medio februari 2022.

MONUMENT richt zich specifiek op onderhoud, herbestemming, restauratie en verduurzaming van monumenten. Hier ontmoeten aanbieders van producten en diensten voor de gebouwd erfgoedsector op gepaste afstand professionals en eigenaren op zoek naar innovatieve producten, kennis en informatie.

Voor meer informatie over deze beurs: www.monumentenbeurs.nl

Elkaar de tent uit pesten is waar het om draaide in de jaren tachtig film Schatjes! Toen dit jaar aan de gevel van de villa waar de film is opgenomen het stucwerk moest worden opgeknapt, bleek ook het pand zelf nog wat streken in huis te hebben. Gedegen onderzoek, materiaalkennis en vakmanschap zorgden voor een ‘happy end’.

Meer dan een miljoen bezoekers trok de film Schatjes! Dat maakt de film van regisseur Ruud van Hemert een van de succesvolste Nederlandse speelfilms uit de jaren tachtig; alleen Flodder, Ciske de Rat en Spetters trokken in dat decennium meer mensen naar de bioscoop. Schatjes gaat over een disfunctioneel gezin van vier kinderen en hun vader en moeder die elkaar het leven zuur maken met steeds heftiger pesterijen. De zaak loopt behoorlijk uit de hand en aan het eind van de film ligt de woning van het gezin, een fraaie witte villa, grotendeels in puin. Zo leek dat tenminste op het witte doek; anno nu staat de in 1921 gebouwde villa nog steeds op zijn plek in Breda en ziet hij er zelfs beter uit dan ooit. Het ingrijpende gevelherstel heeft bijgedragen aan het terugbrengen van het huis in de oude glorie.

Overzichtelijke herstelklus

Toen de huidige bewoners in 2015 de beroemde villa kochten, zaten er wel wat scheuren in het pleisterwerk maar was er nog geen reden om dat aan te pakken. Na een paar jaar was de tijd daar wel rijp voor. Stukadoorsbedrijf Van Baal uit Rijsbergen en schildersbedrijf Van Boxtel uit Bavel werden ingeschakeld om de gevel weer netjes te maken.
“Als ik een buitengevel moet doen dan haal ik altijd Benno Sanderink van leverancier SLP erbij voor een advies”, zegt Hans van Baal, directeur/eigenaar van stukadoorsbedrijf Van Baal. Dat was in december 2019, herinnert Sanderink zich. “De hechting van stucwerk controleer je door er op te kloppen”, zegt hij over zijn aanpak. “Als het hol klinkt dan zit het los en moet het verwijderd worden. Mijn inschatting was dat het om zo’n 15 tot 20 % van het stucwerk ging.” Zijn advies was om dat weg te halen en van het overblijvende deel alle verf te verwijderen. Daarna zou dan, na het aanhelen van de kale plekken, over de gehele gevel een dun stuclaagje compleet met wapeningsgaas moeten worden aangebracht waarna het geheel kon worden afgeschuurd. Omdat het bestaande stucwerk met een keiharde cementmortel was gedaan, adviseerde SLP voor de herstelwerkzaamheden eveneens cementgebonden materialen te gebruiken.

Vervelende ontdekkingen

Tijdens het verwijderen van het loszittende stucwerk en de verflagen kwam Van Baal er achter dat 15 tot 20% een erg optimistische inschatting was geweest; het ging eerder om bijna de helft van het stucwerk dat los zat. Of los leek te zitten. “Het zat zelfs los op de plekken waar het vast zat”, zegt Van Baal cryptisch. “Dat klinkt gek maar er waren plekken die hol klonken als we er op klopten, maar waar we de stuclaag met geen mogelijkheid van de ondergrond afkregen!”
De gevel had nog een verrassing in petto. Bij het verwijderen van verf en loszittend stucwerk in twee van de gevelpunten, stuitten de stukadoors op hout. Het bleken de balken te zijn van vakwerk met metselstenen als vulling. Die gevelvakken zijn op enig moment in het honderdjarig bestaan van de villa ook gepleisterd, over steen en hout heen. “Er is destijds een soort gaas op het hout gespijkerd waar overheen is gestukadoord”, zegt Van Baal. “Bij de balken hing de mortel dus aan het gaas terwijl het tussen de balken vastzat aan de stenen.”
Omdat de situatie behoorlijk anders was dan aanvankelijk werd gedacht, was nieuw onderzoek door de leverancier nodig. Technisch Bureau Afbouw werd gevraagd om mee te kijken en te denken én om tussentijdse kwaliteitscontroles uit te voeren. “Ik heb geen enkele ervaring met stucwerk; daarom vond ik het belangrijk om ook een onafhankelijke partij te laten meekijken”, geeft de bewoner aan. En terecht, de hele operatie bleek niet alleen een stuk omvangrijker maar ook kostbaarder te worden dan vooraf gedacht.

Van cement naar traskalk

Nu delen van het stucwerk waren verwijderd, en door destructief onderzoek, werd duidelijk dat de gevel verschillende soorten metselwerk bevat. De hoofdmoot is echter een tamelijk zachte baksteen die met een kalkmortel is gemetseld en gevoegd. “Dat verklaart het holle geluid bij stucwerk dat toch muurvast zit”, zegt Sanderink. “Kalk vreet zich niet vast in de metselsteen zoals cement doet. Op sommige plekken zaten de stenen dus niet meer stevig aan elkaar vast, terwijl het stucwerk nog wel aan de stenen hechtte. Als je daar op tikte, dan klonk het hol maar het was dus het metselwerk dat los zat, en niet het stucwerk.” Volgens de leverancier en TBA zou het het beste zijn om ál het oude stucwerk te vervangen, maar doordat dat op sommige plekken zó goed vastzit aan de ondergrond, zou dat teveel schade aan de metselstenen opleveren. Op grote schaal repareren was dus het devies. Vanwege de zachte metselsteen en het kalkvoegwerk was het geen goed idee om dat met de eerder geadviseerde cementmortel te doen. Hard stucwerk op een zachte ondergrond is immers vragen om problemen. In het nieuwe advies zijn daarom een traskalkmortel en een trasschuurmortel opgenomen.
Voor er echter überhaupt aan stukadoren gedacht kon worden, moest er nog wel wat aan de constructieve scheuren in de gevel worden gedaan. Ed van der Plas, technisch adviseur bij TBA, gaf aan waar metselwerk verwijderd en opnieuw ingeboet moest worden en waar epoxymortel en spiraalankers ervoor moeten zorgen dat de boel niet opnieuw gaat scheuren.

Schatjes!-beeld intact houden

De vakwerk gevelvlakken vormden een uitdaging op zich. Door de scheuren in het stucwerk was er water in de ondergrond gekomen waardoor op sommige plaatsen het hout was aangetast. Dat moest hoe dan ook worden vervangen. De vraag was vervolgens hoe die geveldelen verder aan te pakken, stukadoren op hout is immers ‘tricky’. Een mogelijkheid was om het vakwerk in het zicht te laten. Voor de bewoners was dat echter geen optie. “In Zuid-Limburg, met soortgelijke huizen eromheen, past zo’n vakwerkhuis prima, maar in Breda is het toch een beetje gek. En ook al is het vroeger misschien wel zo geweest, het zou dan niet meer de villa zijn die wij gekocht hebben en ook niet de villa die de mensen kennen van de film. Het is toch een landmark in de omgeving en dan moet je naar mijn mening de uitstraling niet veranderen.” Toch maar weer stukadoren dus, alleen dan wel zo dat er niet weer schade zou ontstaan. Op advies van SLP werden er eerst brede stroken gepuntlast rvs Casanet gespannen over de houten balken. Anders dan destijds was gedaan, gebruikte de stukadoor afstandhouders en ruim voldoende overlap over de stenen en de bestaande raaplaag. Het Casanet werd met schroeven en pluggen goed vastgezet aan de verschillende ondergronden. Vervolgens is het aansluitend op het bestaande stucwerk volgesmeerd met een lichtgewicht kalktrasmortel, de SLP LPM 10 light.

Ouderwets goed

Sanderink legt zijn advies uit: “Wanneer mortel door de zon warm wordt, dan kan het die warmte beter afgeven aan een stenen ondergrond dan aan hout. Mortel op hout wordt dus warmer en zet dus sneller uit dan mortel op steen. Heb je die ondergronden naast elkaar, zoals hier, dan krijg je spanningsverschiillen en scheuren in het stucwerk bij de aansluiting van hout en steen. Doordat het gaas nu niet alleen over het hout maar ook over de steen en zelfs de oude raaplaag is aangebracht, verdeel je er veel beter de spanning mee en wordt de kans op scheuren aanzienlijk kleiner.” De keuze voor het stalen Casanet in plaats van een hedendaagse glasvezelwapening maakte Sanderink op aangeven van zijn oude stucleermeester Hans Geerken. “Van hem heb ik geleerd dat een kunststof wapeningsweefsel vrijwel geen warmte opneemt. Staal doet dat wel en kan daardoor een beetje mee uitzetten met de mortel wanneer daar de zon opstaat.” Evengoed is er wel hedendaags wapeningsweefsel toegepast. Over de hele gevel is namelijk een mortelweefsellaag aangebracht; een kalktrasmortel met de grofmazige wapening ingebed. Als laatste brachten de stukadoors met kalktrasschuurmortel SLP KCD-05 over de gehele gevel nog een dun schuurlaagje aan als afwerking.

Een tikje dikker

“Meer dan dit kun je niet doen”, zegt technisch adviseur Van der Plas over het gevelherstel. “Ja, je zou er een buitengevelisolatiesysteem op kunnen aanbrengen maar dan haal je het karakter van het pand weg.” De oplossing die nu is gekozen heeft ook wel iets met het uiterlijk gedaan. Met de oorspronkelijke aanpak zou erin totaal 3 tot 4 mm op de oude stuclaag zijn gekomen, nu is dat wel 1,5 cm geworden. Hier en daar is dat te zien aan wat details. De muurankers die voorheen op de witte gevel lagen, zijn nu grotendeels verzonken in het dikkere pleisterwerk. Onvermijdelijk, ze konden immers niet even worden verwijderd en na het stukadoren weer worden teruggeplaatst zoals wel met de zwarte duimen van de luiken is gedaan. Hetzelfde probleem dreigde bij de natuurstenen raamdorpels die nauwelijks overstek hadden. Die zijn echter wel verwijderd en vervangen door diepere exemplaren die precies in de wat opgedikte gevel passen. Het zou een mooie gelegenheid geweest om ze nu wel voldoende overstek te geven maar omdat dat het beeld van de gevel te veel zou veranderen, heeft de opdrachtgever daar van afgezien. Hij is tevreden met het eindresultaat. “Het ziet er heel netjes uit”, vindt hij. Ook over de inzet van stukadoor, leverancier en TBA is hij tevreden. “Het was een grote renovatie en doordat er dingen naar voren kwamen die we niet wisten, kwam er nog meer bij. Het was voor ons geen vraag of we dat dan wel moesten doen, we wilden dit gewoon goed aanpakken. Alleen is dat wel een hele investering en dan wil je graag zekerheid en garanties. Daarom vond ik het belangrijk dat je niet alleen een stukadoor hebt die goed werkt en weet wat hij doet en een professionele leverancier die meedenkt over de juiste materialen, maar ook een onafhankelijke deskundige als TBA die meedenkt, mee-adviseert en tussentijds komt controleren of het werk inderdaad volgens het advies wordt uitgevoerd.”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto
Fotografie: Ed van der Plas, Klokhuys tekst en foto

Firma Silberling & Zn. maakte eind 19e eeuw ornamenteel stucwerk bereikbaar voor een groot publiek met een grote collectie prefab lijsten en ornamenten. Niet zelden zijn daardoor identieke stukken in verschillende panden door het land terug te vinden maar soms stuit een fortuinlijke stukadoor op een zeldzame Silberlingparel. Restauratiestukadoor René van Olphen had die mazzel, in een landhuis in Twente.

De woning waar de Meesterststukadoor uit Nijverdal tegen het unieke plafond aanliep is relatief jong. Rond 1900 was het nog het kantoorgedeelte van een textielfabriek, vervolgens was het een korte periode boerderij, tot het in 1925 verbouwd werd tot landhuis, compleet met een parkachtige tuin. In die vorm is het altijd gebruikt gebleven maar garantie voor deugdelijk onderhoud heeft dat niet gegeven. Toen de huidige eigenaar het landhuis in 2017 kocht, was het wel aan een grondige renovatie toe. Het pand was nauwelijks geïsoleerd en er waren op veel plaatsen lekkages. Om het bewoonbaar te maken moest het van A tot Z worden aangepakt, te beginnen met de vervanging van het dak. Maar er zaten ook interessante karakteristieke onderdelen in het huis; stucplafonds met lijsten en ornamenten, houten balken plafonds, houten lambrisering, een monumentale haard met natuursteen schouw bijvoorbeeld. Er moesten keuzes worden gemaakt; wat te doen met die monumentale elementen? “Je kunt het natuurlijk allemaal strak maken maar dan is deel van de charme weg en dat was nou juist waar ik op gevallen ben, waardoor we het hebben gekocht”, zegt de eigenaar. “Ik wilde dus het liefst zo dicht mogelijk tegen het oude aanblijven terwijl mijn vrouw meer van modern houdt”, zegt de eigenaar. “We hebben er voor gekozen om de basis klassiek te houden en modern te maken wat later weer ongedaan gemaakt kan worden. Zo hebben we de lambrisering in de leefruimtes verwijderd, die maakte het voor ons te zwaar en te donker. Maar in één kamer hebben we hem laten zitten. Mocht een volgende bewoner de woning terug willen brengen naar de oorspronkelijke staat, dan is er in ieder geval nog een voorbeeld van de lambrisering”, geeft hij een voorbeeld van de aanpak.

DHZ onder begeleiding

Kiezen om bepaalde originele onderdelen te behouden is één ding, daarna komt de vraag hoe je dat dan doet, zeker als ze in niet al te beste staat meer zijn. De zandsteen schouw bijvoorbeeld was door een vorige bewoner geverfd. “Wil je al die dingen écht opknappen dan heb je vaklui nodig en dat is niet gemakkelijk, hebben we gemerkt. Als leek denk je bijvoorbeeld dat een stukadoor ook een plafond kan restaureren maar dat is niet zo, daar heb je een specialist voor nodig. En dat geldt ook voor zo’n houten balkenplafond. Daar komt bij dat niet elke vakman die je vindt staat te springen om ook het rotwerk te doen, zoals de kalkverf van de zandsteen schouw schuren. Veel van die dingen hebben we daarom zelf gedaan, nadat we ons goed hadden laten informeren hoe dat moest.” Zo is het ook gegaan met de geornamenteerde stucplafonds. Een ervan, in een gang, had erg veel te lijden gehad van lekkages vanuit de bovengelegen badkamers. De nieuwe eigenaren besloten te proberen iemand te vinden die het plafond kon redden. Ze kwamen bij restauratiestukadoor Van Olphen uit. Veel viel er niet meer te herstellen en omdat er toch ook nog het nodige aan de leidingen moest worden gedaan om nieuwe lekkages te voorkomen, werd besloten het plafond te verwijderen en later terug te plaatsen. Van een aantal elementen maakte Van Olphen afdrukken om er mallen van te kunnen maken en vervolgens hebben de bewoners het plafond gesloopt. De restauratiestukadoor is blij dat hij er bijtijds bij is gehaald. “Ik maak ook wel mee dat mensen alles er al uit hebben gemept wanneer ik kom. Een leek weet nu eenmaal niet wat je weg kunt halen en wat je moet behouden om het weer terug te kunnen brengen.”

Briefje uit het verleden

Het zou echt zonde zijn geweest als de stucplafonds waren verdwenen want ze zijn zonder meer bijzonder. Volgens Van Olphen is het Louis XVI, een stijl die voornamelijk werd toegepast in het vierde kwart van de 18e eeuw. “In een huis van 1925 is dat niet gebruikelijk. Dan verwacht je meer iets van Art Deco of Jugendstil.” Hoewel het bedrijf rond die tijd ophield te bestaan, vermoedde de restauratiestukadoor dat het prefabstukken van Silberling & Zn zijn geweest. “Ik was ze alleen nog niet eerder tegengekomen en de collega’s waar ik veel mee samenwerk ook niet.” Het bleek wel degelijk uit de collectie van het vermaarde bedrijf uit Amsterdam te komen. De nieuwe bewoner had een hoop bouwdocumentatie uit de afgelopen eeuw, waaronder een briefje uit 1925 van Silberling & Zn. met tekeningen van het profiel van de lijsten en uitleg voor de stukadoor hoe een en ander op het plafond aan te brengen. Ook vond Van Olphen de stukken terug in de catalogus. Die aanwijzingen uit 1925 had de Meesterstukadoor niet nodig. Het nieuwe plafond in de gang is gemaakt op een Stucanet pleisterdrager. De decoraties bestaan uit diverse geprofileerde perklijsten, inlegwerk, florale hoekstukken en bloemenguirlandes. Alle onderdelen zijn nieuw gemaakt aan de hand van het originele plafond. Van Olphen waakte er wel voor om die originele stukken niet eerst helemaal te reinigen. “Als je alle verflagen eraf haalt dan krijg je heel scherpe stukken. Je kunt dan heel goed zien dat het nieuw is. Nu lijkt het alsof dit nog het oude plafond is.”

Nieuw klassiek

In de woonkamer waren twee vergelijkbare Silberlingplafonds gemaakt. Verschil met de gang is hier vooral de vorm, en in de woonkamer zijn twee grote centrale ornamenten aangebracht en tussen de perklijsten hier en daar nog wat bescheiden decoraties. Deze plafonds waren in veel betere staat dan dat in de gang; Van Olphen heeft hier wat scheuren gerepareerd, op een paar plekken het plafond gefixeerd en vooral de boel gereinigd. “Ook hier heb ik de verflagen laten zitten omdat het er anders te nieuw zou gaan uitzien. Er zat ook niet veel verf op, hooguit twee lagen dus alles zag er nog redelijk scherp uit.” Van een van de twee identieke middenornamenten in de woonkamer maakte hij een afdruk; voor de eigen collectie Silberingmallen én om te gebruiken voor een nieuw klassiek plafond in de eetkamer van de woning. “Hier zat origineel eenzelfde houten balkenplafond als we in een van de andere kamers hebben behouden”, zegt de bewoner. “Deze kamer was echter aan de donkere kant en om dan ook nog zo’n donker houten plafond te hebben leek ons niet zo’n goed idee.” Een stucplafond zou het veel lichter maken maar dan moest het natuurlijk wel een stijlplafond worden met lijsten en ornamenten. Het is vrijwel een kopie van de plafonds in de woonkamer geworden, al zijn ook hier de decoraties tussen de perklijsten achterwege gebleven.

Puzzel op het plafond

“Het was een enorme puzzel om dit te maken”, zegt Van Olphen. Hij doelt op de indeling van het plafond; symmetrie was namelijk heel belangrijk voor de bewoners. De lijsten waren niet zo ingewikkeld, die kon hij zo lang maken als nodig was. Ook de laurierblaadjes waarmee de buitenste perklijst is ingelegd, leverden niet zoveel hoofdbrekens op. “Die kun je doorzagen en wat langer of korter maken. Maar de guirlandes was een ander verhaal. Die zijn niet uit te rekken dus je moet werken met de vaste maat die ze hebben. Maar je moet wel zorgen dat je in de hoeken goed uitkomt, dat er niet net een stuk af moet of dat hij juist tekort is.” En dan was er ook nog het middenornament; dat moest precies midden in het veld komen maar ook middenin de ruimte. Extra complicerende factor was het wandmeubel dat nog in de ruimte moest komen, van vloer tot plafond. Daar moest hij wel rekening mee houden bij het bepalen op welke afstand van de wand de lijsten moesten komen. De restauratiestukadoor tekende alles op de grond uit op een stucloper. Toen het naar tevredenheid was en hij het op het plafond wilde overzetten bleek het ineens toch niet te passen. “De wanden stonden 3 cm uit het lood”, verzucht hij. Uiteindelijk is het goed gelukt en zijn zowel de bewoners als de restauratiestukadoor zelf tevreden met het eindresultaat. En dan niet alleen de indeling maar ook hoe het er verder uitziet. “Het middenornament is een kopie van het ornament van de woonkamer, compleet met deukjes en bobbeltjes” zegt Van Olphen. “En doordat ik de lijsten op het plafond heb getrokken, zijn ze niet zo strak als wanneer ik het op de werkbank had gedaan. Daardoor ziet het er allemaal uit alsof het er altijd heeft gezeten terwijl het een compleet nieuw plafond is.” De eigenaar van het landhuis beaamt dat. “Als mensen dit zien dan zeggen ze vaak wat goed dat je dit hebt weten te behouden! ”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto’s
Fotografie: fotografie: Klokhuys tekst en foto’s, Lambert de Jong

Putkalk en zand, wandplaten met verwarmingselementen erin; traditionele én moderne materialen en technieken zijn ingezet om havezate Oldengaerde in het Drentse Dwingeloo een nieuwe toekomst te geven, met behoud van het historische uiterlijk.

1717 prijkt er op de voorgevel van havezate Oldengaerde bij Dwingeloo maar het is onwaarschijnlijk dat het pand daadwerkelijk rondom dat jaar is gebouwd, zo is te lezen in ‘Er zit méér achter de voorgevel’ door Klingers Bouwhistorie & Restauratie. Volgens deze bouwhistorische beschouwing over de voorgevel van Oldengaerde te Dwingeloo is het óók voor het Drentse platteland onwaarschijnlijk dat in de tijd dat de Lodewijk XIV-stijl helemaal in was in de bouwkunst, een landhuis werd gebouwd met een classicistische gevel in pilasterstijl die al zeker een halve eeuw (zo tussen 1640 en 1670 waren de hoogtijdagen) uit de mode was. Volgens Stichting het Drentse Landschap zou de oorsprong van de havezate nog wel eens verder terug kunnen liggen dan midden 17e eeuw. De website van de huidige eigenaar van het landgoed Oldengaerde meldt dat het landhuis al werd genoemd in het begin van de 15e eeuw. Het zou dus zelfs wel eens zeshonderd jaar oud kunnen zijn.

I did it my way

Onzekerheid troef over de precieze leeftijd van Oldengaerde dus, maar vast staat wel dat het niet nog eens een paar eeuwen ouder had kunnen worden zonder een ingrijpende en deskundige restauratie. “In 25 jaar in de bouw heb ik nog nooit zoiets meegemaakt”, zegt uitvoerder Douwe Homsma van restauratie-aannemer Jurriens Noord (dochter van Friso bouw). “Binnenmuren stonden los van de buitenmuur, muren waren met draadeinden aan elkaar geplakt, er zat geen verband in.” Het bedrijf uit Groningen was door stichting Het Drentse Landschap ingeschakeld om het eens zo statige landhuis en de bijgebouwen te behoeden voor verder verval en klaar te maken voor een nieuw hoofdstuk. De dramatische bouwkundige staat had ook een zware wissel getrokken op het stucwerk aan wanden en plafonds. Aannemer en opdrachtgever klopten bij stukadoorsbedrijf Oudman uit Oostwold aan voor de restauratie dáárvan en gaven de stukadoor de ruimte om het op zijn eigen manier aan te pakken, met onder meer een zelf samengestelde mortel van kalk en zand.

Zand uit de buurt

“Bij dit soort restauraties vind ik het belangrijk om het pand goed te leren kennen”, zegt Oudman. “Ik probeer te achterhalen met wat voor materialen destijds is gewerkt, ik wil ervaren hoe het gebouw aanvoelt, waar het kouder is en waar warmer; dat soort dingen. Dan kun je oplossingen kiezen waarvan je zeker weet dat ze passen bij het huis en de situatie.”
Bij de restauratie van kerken lost hij vaak wat van de originele mortel op om te onderzoeken wat er precies inzit, welk type zand en welke korrelgrootte er destijds zijn gebruikt. Voor deze restauratie was dat niet nodig. “Je weet bij zo’n havezate uit die tijd dat de mortels met zand uit de buurt zijn gemaakt. Dat is goed genoeg om te bepalen welk zand je voor de herstelwerkzaamheden moet hebben.” In dit geval was dat gewoon metselzand met een gemiddelde korrel en vloerenzand met een grove korrel.

Brabants werk

Naast dat zand gebruikte Oudman voor de reparaties ook twee jaar oude Duitse putkalk. “Voor restauraties van kerken en gewelven maak ik ook vaak zo’n mortel. Daar weet ik goed wat het doet maar een gebouw als dit is toch anders. Vandaar dat we eerst een aantal proefvlakken hebben opgezet. Ook om te kijken welke menging het beste zou aansluiten bij het bestaande werk. Die proefvlakken hebben we een maand laten staan. Als er dan geen krimp is dan weet je dat je een goede mortel voor de situatie hebt.”
Het merendeel van de reparaties was op stenen wanden. Een uitzondering was er op de verdieping, daar was een wand met riet met houtkrullen en houtsnippers ertussen voor isolatie. Het stucwerk is aangebracht op rinkellatten. Brabants werk, noemt Oudman dat. “Er zat een gat in de wand, zodoende kon ik die opbouw zien. We hebben dat dichtgezet met Stucanet en het stucwerk aangeheeld met de kalkzandmortel.”

De look van toen

Afwerken van alle reparaties deed de restauratiestukadoor eveneens met een zelf samengestelde mix, een combinatie van 70% kalk en 30% gips. Als je wilt dat de reparaties niet te zien zijn, moeten ze niet alleen goed aansluiten zonder overgangen, ook de structuur moet overeenkomen met het oude werk. Oude pleisterlagen zijn immers over het algemeen niet heel glad en strak. Bij Oldengaerde waren ze buiten de butsen en bobbeltjes ook streperig. Door een blokkwast over de nog natte pleisterlaag te halen, zorgde Oudman ervoor dat zijn reparatiewerk er net zo’n uiterlijk kreeg. Die truc paste hij ook toe op wanden die volledig nieuw zijn. Daar zijn er verschillende van, een aantal daarvan bevat zelfs platen met ingefreesde verwarmingselementen. “Hoe goed je ook restaureert en bouwkundige zaken herstelt, het blijft een oud gebouw”, zegt Oudman. “Het beste dat je kunt doen voor behoud is zorgen dat temperatuur en luchtvochtigheid constant blijven.” Daar moet de wandverwarming voor zorgen. De hoofdverwarming bestaat uit radiatoren maar omdat het pand niet permanent bewoond wordt, staan die niet altijd aan.
Hoewel de wandverwarming voor een constante temperatuur van een graad of 15 zorgt, verwerkte de stukadoor toch wapening in de één centimeter dikke laag gips die hij op de platen aanbracht. “Voor de zekerheid, om eventuele thermische spanningen op te vangen.” Door ook deze wanden met kalk, gips en blokkwast af te werken, en geen hoekstrips te gebruiken maar uit de hand te stukadoren, vallen ze nauwelijks op naast het bestaande werk.

Geen nee tegen nieuw werk

Niet na te bootsen met nieuw werk was een wand met diverse eeuwen op de teller waar alleen de vertinlaag nog op zat. Hij hoort bij het gedeelte waar de voormalige eigenaren nog gebruik van maken. Dat oude verweerde uiterlijk wilden ze graag behouden. Een beetje opknappen was echter wel gewenst. “Die wand hebben we gekaleid met de kalkzandmortel die we daar flink voor hebben verdund’, zegt Oudman. “Hij is dus opgefrist maar nog steeds erg onvlak, en dat past weer mooi bij de oude houten deurposten en plinten met al hun butsen. Het vertelt het verhaal van zo’n gebouw; als je alles netjes vlak en strak maakt, dan is dat weg.”
Vlakbij die verweerde wand zijn appartementen gemaakt die worden verhuurd door Buitenleven Vakanties. De ruimtes en de voorzieningen als sanitair zijn spiksplinternieuw maar aan de afwerking van de gipsplaatwanden is dat niet te zien. Ook die zijn afgewerkt door Oudman. “Ik ben restauratiestukadoor maar als je in zo’n project wordt gevraagd om ook wat nieuw stucwerk te doen dan zeg je geen nee. Voor de uitvoerder waar we heel prettig mee werkten, was het fijn om niet nog een andere partij te hoeven aansturen. En wij wilden zelf graag dat het qua uitstraling goed zou passen bij het oude werk en de gerestaureerde delen. Daarom hebben we die afwerking ook met de schilder besproken. Als wij zorgen dat het dat authentieke streperige uiterlijk heeft dan wil je natuurlijk niet dat de schilder er vervolgens met de roller overheen gaat.”

Optillen en fixeren

Oudman, die bij het werk hulp kreeg van ondermeer meester restauratiestukadoor Rene van Olphen uit Nijverdal, herstelde ook nog een aantal plafonds. In het trappenhuis was het plafond op riet er slecht aan toe; het was verzakt en gescheurd. “We hebben het opgetild en gefixeerd met ringen en schroeven in de raggels. Lijstjes die gescheurd waren hebben we netjes dichtgemaakt; je ziet niets meer van de schades.” Als vanouds is het plafond echter niet, het middenornament dat ook behoorlijk beschadigd was, is niet meer teruggeplaatst.
In de stijlkamer, een ruimte die ook nog door de vroegere bewoners wordt gebruikt, is het middenornament wel blijven hangen. Daaromheen is de pleisterlaag volledig verwijderd en vernieuwd. “De rieten pleisterdrager was hier echt slecht”, zegt Oudman. “We hebben die ook vastgezet met schroeven en ringen en vervolgens met gips een nieuw stuclaag gemaakt. Er zit nu gaas in; daar gebeurt de komende vijftig jaar niets meer mee.”
In een van de zijkamers die Het Drentse Landschap zelf in gebruik heeft, wachtte de stukadoor een andere uitdaging. Een zware muur in de kamer erboven had het plafond een eind naar beneden gedrukt. Dat deel heeft Oudman helemaal moeten verwijderen, inclusief lijsten en pleisterdrager. Stucanet vervangt daar het riet. Ondanks de nieuwe opbouw is het niet gelukt om de schade helemaal te herstellen, het plafond is nog zichtbaar krom. Oudman heeft wel goede hoop dat het niet erger wordt. “We hebben hier ook het oude gedeelte vastgezet met ringen en de oude muur is vervangen door een lichtgewicht wand.”

Lof voor lef

De stukadoor uit Oostwold kijkt met een goed gevoel terug op het project. “Een uniek werk, denk ik. En fantastisch dat ik van opdrachtgever, aannemer en architect het vertrouwen kreeg om het op mijn manier te doen. Daar is lef voor nodig want met traditionele mortels hebben ze vaak geen ervaring, die worden immers bijna nooit meer gebruikt. Daarom worden vaak kant en klare producten voorgeschreven. Eigenlijk is dat gek want de restauratie van bijvoorbeeld een bewerkt kozijn of een monumentale trap doe je ook niet met een stuk vurenhout. Maar om de een of andere reden wordt daar met stucwerk anders naar gekeken. Hier gelukkig niet!”

=====

Tekst: Klokhuys tekst en foto
Fotografie: Klokhuys tekst en foto, Daniël Oudman

Schrijf je nu ook in voor onze nieuwsbrief!